Nu

Zweefvliegen, mede mogelijk gemaakt door het weer

Je zal ze ongetwijfeld een keer gezien hebben gedurende de lente en/of zomer: zweefvliegtuigen. Bij deze enorm duurzame vorm van vliegen wordt geen gebruik gemaakt van een motor, alleen maar tijdens het opstijgen. Een sleepvliegtuig brengt het zweefvliegtuig namelijk tot grofweg vijfhonderd meter hoogte, waarna de piloot het zweefvliegtuig loskoppelt. Vanaf dan zal het zweefvliegtuig zijn eigen weg gaan, al zwevend door de lucht. Maar hoe kan het vliegtuig blijven zweven in de lucht? Het heeft alles te maken met thermiek.

Thermiek

Met thermiek wordt opstijgende lucht bedoeld. De zon warmt het aardoppervlak op, dat op zijn beurt weer de lucht vlak boven de grond opwarmt. De moleculen in deze opwarmende lucht gaan daardoor sneller bewegen, waardoor ze meer bewegingsruimte nodig hebben en de lucht dus uitzet. Het gevolg is dat de lucht minder dicht wordt, wat betekent dat die lichter wordt dan de bovenliggende lucht en opstijgt. 

Tijdens het opstijgen komt de lucht constant in nieuwe omgeving terecht waar de druk lager is dan eerst, omdat de luchtdruk steeds verder afneemt met hoogte. Hierdoor heeft de opstijgende lucht alsmaar meer bewegingsruimte, waardoor die steeds verder uitzet. Omdat er bij deze uitzetting geen extra warmte wordt toegevoegd, koelt de lucht uiteindelijk af. Dit proces blijft aan de gang, totdat de temperatuur van de opstijgende lucht gelijk is aan die van de omgeving. 

De opstijgende lucht laat aan het aardoppervlak een luchttekort achter, dat wordt opgevuld door koudere lucht afkomstig van grotere hoogte. Deze neerdalende lucht warmt vervolgens op, omdat die juist onder steeds hogere druk komt te staan en daarmee in elkaar wordt gedrukt. Wanneer deze het aardoppervlak bereikt, is die al genoeg opgewarmd om weer op te stijgen. Hierdoor ontstaat er een convectiecel die continu bezig is.

Een voorbeeld van een convectiecel. Zoals links in het plaatje te zien is, stijgt warme lucht op onder de stapelwolk en daalt koudere lucht neer naast de wolk, waardoor er een convectiecel ontstaat (bron: Windy.app).

Maar niet op iedere plek is de opstijging van de lucht even sterk. De kleur van het aardoppervlak verschilt namelijk sterk op kleine afstanden, en dit kleurverschil heeft grote invloed op de mate van opwarming. Zo warmt de lucht vlak boven donkere oppervlakken (zoals bestrating) veel sterker op dan de lucht boven lichte oppervlakken (zoals planten en water). 

En de zon is niet altijd even sterk. Zo warmt het aardoppervlak gedurende de winter of op een dag met zware bewolking niet goed genoeg op om thermiek te laten ontstaan. Over het algemeen loopt het zweefvliegseizoen dan ook van maart tot en met oktober, maar of het zweefvliegen mogelijk is hangt dus sterk af van het weer op de desbetreffende dag en de locatie.

Hoe thermiek zweefvliegen mogelijk maakt

Nu we weten hoe thermiek werkt, is het mechanisme achter zweefvliegen vrij intuïtief. Een zweefvliegtuig kan namelijk blijven zweven boven de opstijgende lucht, waarbij de piloot op een goede dag tussen de vijfhonderd en duizend kilometer kan vliegen! Maar hoe weet de piloot waar de opstijgende lucht zich bevindt? 

De opstijgende lucht is te herkennen aan de stapelwolken. Op een gegeven moment komt de opstijgende lucht namelijk op een hoogte waarbij die genoeg is afgekoeld om de lucht verzadigd te maken. Vanaf dan gaat er waterdamp condenseren, waarbij stapelwolken ontstaan. Vaak zie je de stapelwolken in rijen boven het oppervlak hangen. Tussen de rijen aan stapelwolken bevinden zich ruimtes waar geen bewolking aanwezig is. Op deze plekken heb je dan ook dalende luchtbewegingen. De zweefvlieger zweeft dan ook graag recht onder de stapelwolken.

Op deze satellietbeelden van 15 maart 2026 zijn straten van stapelwolken goed te herkennen. Onder elke wolkenstraat stijgt warme lucht op, terwijl tussen de wolkenstraten koudere lucht neerdaalt. Via de satelliet zijn gebieden met convectie dus ook goed te herkennen (bron: NASA Worldview, NOAA-21/VIIRS via KNMI).

Zweefvliegen en klimaatverandering

Maar wat voor toekomst heeft het zweefvliegen in Nederland onder klimaatverandering? Het wordt immers wereldwijd steeds warmer, waarbij de verwachting specifiek voor de Nederlandse zomer is dat deze zonniger en droger verloopt, met zware buien die steeds regelmatiger voorkomen en intensiever kunnen uitpakken.

Hierbij zijn de zonnigere zomers niet alleen gunstig voor het vrolijke gevoel dat de zon bij veel mensen oproept, maar ook voor het zweefvliegen. Als er meer zon is, dan kan het oppervlak immers een stuk makkelijker opwarmen. Het gevolg is dat het temperatuurverschil tussen het aardoppervlak en hoger in de atmosfeer steeds groter wordt, waardoor de lucht sterker kan opstijgen.

Maar ook de drogere zomers hebben een positieve invloed op het zweefvliegen, ondanks de negatieve gevolgen die droogte met zich meebrengt zoals het mislukken van de oogst en (drink)watertekorten. Bij een drogere bodem gaat er namelijk minder energie naar het verdampen van water, waardoor meer zonne-energie naar de opwarming van de lucht gaat. Deze sterkere opwarming zorgt wederom voor een sterkere opstijging van lucht. De opstijgende lucht is echter wel relatief droog, waardoor stapelwolken minder makkelijk ontstaan en het lastiger is voor de piloot om plekken van opstijgende lucht te zoeken.

Ondanks de grote uitdagingen die klimaatverandering met zich meebrengt, lijkt de zweefvliegsport juist de vruchten te plukken van drogere en zonnigere zomers. Het zweefvliegen bewijst maar eens dat de mens nog steeds grote afstanden kan afleggen in de atmosfeer, zonder dat daar ook maar een druppel brandstof bij komt kijken. Zolang de zon blijft schijnen en zo het aardoppervlak opwarmt, kan de lucht blijven dienen als een motor.

Foto gemaakt door Ben Koorengevel via Wikimedia Commons - Een groep zweefvliegtuigen zweven door de lucht
Foto gemaakt door Ben Koorengevel via Wikimedia CommonsEen groep zweefvliegtuigen zweven door de lucht