Koude bovenluchten plus warm zeewater is het recept voor stevige herfstbuien
Niet alleen in het Middellandse Zeegebied is het relatief warme zeewater een trigger voor flinke buien. Overal waar het temperatuurverschil tussen zeewater en lucht hoger in de atmosfeer groot is, raakt de luchtlaag instabiel en kunnen grote buien ontstaan mits er genoeg vocht aanwezig is. Dit zien we ook hier in Nederland deze week.Het eerste ingrediënt
Het zeewater langs de kust ligt nu rond de 18 graden. Deze zomer bereikte het water in de Noordzee een recordhoge temperatuur van 21,6°C. Langzaam koelt het af, maar het blijft warmer dan normaal. Aan de andere kant koelt het landoppervlak juist snel af nu de zonkracht afneemt. Er ontstaat een temperatuurverschil tussen de zee en het land. Dit temperatuurverschil is de activator van stevige, koudbloedige herfstbuien.
Luchtmassa als katalysator
Op aarde zijn er verschillende luchtmassa’s. Zulke luchtmassa’s vormen wanneer lucht voor langere tijd boven hetzelfde oppervlak hangt en eigenschappen aanneemt die vergelijkbaar zijn aan dit oppervlak. Voorbeelden zijn een continentaal Arctische luchtmassa – ijskoude lucht gevormd boven land in het Arctisch poolgebied – en een maritiem subpolaire luchtmassa – vochtige lucht gevormd boven oceaanwater tussen 40 en 60 graden breedtegraad.
Iedere luchtmassa heeft een karakteristieke temperatuur op grote hoogte, dit noemen we de bovenluchttemperatuur. Arctische bovenluchten kunnen zo koud zijn als -30 tot -50 graden, terwijl tropische bovenluchten ruim 20 tot 30 graden warm zijn.
Gedurende de herfst wordt het temperatuurverschil tussen de luchtmassa’s rond de evenaar en die in het poolgebied alsmaar groter. Dit wakkert de straalstroom aan en zorgt in Nederland voor een overheersende westenwind. De atmosfeer staat niet stil en koude lucht uit het noorden kan ons zeker in de overgangsseizoenen regelmatig bereiken. Zijn de bovenluchten koud en waait de wind vanaf zee, dan ontstaan er in de vochtige lucht grote buien.
Het vriespunt bereikt
Dit weekend is de bovenlucht van de luchtmassa boven Nederland tussen de 0 en 4 graden koud. Aan de grond is de lucht een aantal graden warmer, maar lang niet zo warm als het zeewater zelf. De wind komt uit het westen tot zuidwesten. Koude lucht beweegt over warmer water, wat instabiliteit opwekt en convectie in gang zet. Uit het warme zeewater verdampt veel vocht en dat leidt tot wolkenvorming. Waar op de ene plaats de lucht sterk stijgt en een (felle) bui vormt, daalt het op de andere plaats en zijn er opklaringen. Boven land wordt het temperatuurverschil kleiner en is er minder vocht aanwezig, waardoor dit soort buien typisch aan de kust de meeste regen geven (kustconvergentie).
Vergelijkingen tussen voorjaar- en najaarsbuien
In beide overgangsseizoenen komt koude lucht in aanraking met een warmere ondergrond. Dit weertype is dan ook vergelijkbaar tussen de lente en herfst: korte, felle buien worden afgewisseld door zonnige momenten. Daarentegen valt in het voorjaar juist landinwaarts meer neerslag omdat het zeewater nog koud is en daardoor minder verdampt. Het is dan het opwarmende landoppervlak dat de verticale luchtstromen veroorzaakt.
Regenschaduw door Engeland
Bij een westenwind kan het zuidwesten van Nederland een uitzondering vormen. De koude lucht moet lang genoeg over water hebben gestroomd voor actieve buienvorming, maar vanaf Engeland komt de lucht maar een relatief klein stukje zee tegen. Er ontstaan daardoor minder buien in het zuidwesten, ook wel ‘regenschaduw’ genoemd.
