Hoe de bergen de dynamiek in de atmosfeer verder compliceren
Iedereen die ooit naar de bergen is afgereisd zal dit fenomeen vast wel herkennen: in de ochtend is het stralend weer, perfect voor een ontspannen bergwandeling. Maar gedurende de middag kan het weer ineens omslaan: waar het eerst rustig weer is met een stralend zonnetje, kan het een paar minuten later ineens spoken met fel onweer. Dit alles heeft te maken met de grote hoogteverschillen in de bergen.Het ontstaan van felle buien
Gedurende de dag warmt de zon namelijk het aardoppervlak op, waardoor de temperatuurverschillen tussen verscheidene hoogtes steeds groter worden. De atmosfeer noemen we in dit geval onstabiel. De warme, vochtige lucht aan het oppervlak is lichter dan de koudere lucht op hoogte, waardoor deze gaat stijgen en langzaam afkoelt. Op een gegeven moment is de lucht koud genoeg om het vocht te laten condenseren en dan is het een kwestie van tijd voordat er neerslag ontstaat. Dit mechanisme herkennen wij in Nederland ook, namelijk met de zomerse onweersbuien die veelvuldig voorkomen. Maar in de bergen zorgen de hoogteverschillen voor een extra zetje.
Stromende lucht in een vallei kan op een gegeven moment immers niet meer verder, omdat er bergen in de weg zitten. Uiteraard kan de lucht niet door de bergen heen, dus de enige manier om de weg te vervolgen, is door te stijgen. De bergen zorgen er dus voor dat de lucht geforceerd stijgt, wat de opwaartse stroming door een onstabiele atmosfeer versterkt. Dit verklaart ook waarom er in de ene vallei een onweersbui ontstaat, terwijl de zon blijft schijnen in de naastgelegen vallei.

Het ontstaan van stuwingsneerslag. Warme, vochtige lucht botst tegen de berg op en wordt gedwongen op te stijgen, waardoor die afkoelt en er neerslag kan ontstaan (bron Wikimedia Commons, GFDL-licentie).
Vochttoevoer
Maar het vocht in de lucht moet op een bepaalde manier aangevoerd worden naar de bergen. Dat wordt in werking gezet door grotere systemen, zoals lagedrukgebieden. Een goed voorbeeld hiervan is de Himalaya. Boven de Baai van Bengalen ontstaan er namelijk lagedrukgebieden (die soms zelfs uitgroeien tot orkanen), die een stroming opwekken dichtbij het aardoppervlak. Het lagedrukgebied trekt uiteindelijk richting land in het noorden en neemt dan vocht vanuit de Baai van Bengalen mee.
Eenmaal boven land wordt er nog meer vocht opgepakt en meegenomen, terwijl het lagedrukgebied verder richting de Himalaya trekt. Op een gegeven moment botst de stroming tegen het gebergte aan, waardoor het vocht zich ophoopt aan de voet van het gebergte. Hierdoor wordt de stroming geforceerd om te stijgen, met als gevolg dat er veel neerslag kan vallen.
Dit gebeurt niet alleen bij de Himalaya. Ook dichter bij huis komt dit voor in de Alpen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het Gardameer. Met een zuidelijke stroming wordt vochtige lucht vanaf de Middellandse Zee naar de Alpen getransporteerd. Wanneer die over het Gardameer waait, neemt die nog meer vocht op, totdat de wind tegen de bergen aan waait. De lucht gaat geforceerd stijgen, waardoor er grote hoeveelheden neerslag kunnen vallen.
Het weer in de bergen is dus een samenspel van luchtstromingen die op grote schaal voorkomen, maar ook op kleine schaal in een enkele vallei. Als je de volgende keer in de bergen loopt en ergens in de verte onweer hoort, dan betekent dat niet gelijk dat je onweer kunt verwachten. De onweersbuien komen namelijk heel lokaal per vallei voor. Wie weet heb jij wel geluk en zit je in een vallei waar het zonnetje heerlijk blijft schijnen.
