Nu

Föhnwind uitgelegd: waarom het weer aan beide kanten van de berg zo kan verschillen

Misschien heb je wel eens gelezen over een warme föhnwind, of heb je tijdens de wintersport ineens een opvallend warme wind gemerkt. Een föhn is een droge en warme valwind in de Alpen. Hij ontstaat door de combinatie van bergen en de windrichting. Zelfs in de Zuid-Limburgse heuvels kan soms een soort ‘mini-föhn’ voorkomen, al is dat effect klein vergeleken met de Alpen.

Hoe ontstaat föhn?

Een föhnwind ontstaat wanneer vochtige lucht over een bergkam wordt gedwongen. In de Alpen is vooral de zuidföhn berucht. Vaak trekt dan een lagedrukgebied over het zuiden van Frankrijk richting de Middellandse Zee, waardoor vochtige lucht vanaf het zuiden tegen de Alpen aan botst.

Om over de bergen heen te komen, moet die lucht stijgen. Tijdens het stijgen zet de lucht uit en koelt af (adiabatische afkoeling). Koude lucht kan minder waterdamp bevatten, waardoor waterdamp gaat condenseren. Zo ontstaan wolken en valt er aan de zuidzijde neerslag in de vorm van regen of sneeuw.

Zodra de lucht over de hoogste bergkam heen is, gaat ze aan de andere kant weer dalen. Bij die neerwaartse beweging wordt de lucht samengedrukt en warmt op (adiabatische opwarming). Omdat een groot deel van het vocht aan de zuidkant al is uitgeregend of uitgesneeuwd, is de lucht aan deze kant van de berg bovendien veel droger. Het resultaat: een droge, vaak stevige wind die het dal in waait en de temperatuur daar snel kan laten oplopen.

Dit illustreert de föhnwind: vochtige lucht botst tegen de bergkam aan en condenseert waardoor het sneeuwt. Aan de andere kant van de berg daalt de lucht, waardoor deze opwarmt en het hierdoor droog is.

Wat merk je ervan?

Föhn komt in de Alpen relatief vaak voor in het voorjaar, maar ook in de herfst en winter kan het gebeuren. Vooral in de winter kan föhn voor wintersportgebieden funest zijn: de temperatuur kan in korte tijd 10 tot 20 graden stijgen en door de combinatie met wind kan sneeuw soms snel wegsmelten.

Omdat de lucht zo droog is, is de luchtvochtigheid vaak laag. Daardoor is het weer aan de lijzijde geregeld helder en kan het zicht uitzonderlijk goed zijn, terwijl aan de andere kant van de berg juist wolken en neerslag voor slecht zicht zorgen.

Waaraan herken je föhn?

In de Alpen kun je föhn vaak herkennen aan lensvormige wolken (lenticularis) die stil lijken te staan, zelfs bij stevige wind. Ook kan er een föhnmuur ontstaan. Dat is een wolkenrand langs de bergkam, terwijl aan de andere kant van de bergkam geen wolken aanwezig zijn.

Bestaat föhn ook buiten de Alpen?

Föhnachtige winden komen op meer plekken in de wereld voor, vaak onder een andere naam. Ook in Nederland kan soms een heel zwakke variant optreden, vooral in Zuid-Limburg. Lucht uit het zuiden moet dan eerst over hogere gebieden van de Ardennen stijgen en kan daarna dalen richting Zuid-Limburg, waardoor het daar net wat droger en zonniger kan zijn dan elders.

Het föhneffect is ook vanaf boven te zien. Wolken met neerslag botsen tegen de zuidkant van de hoofdkam van de Alpen aan. Aan de noordkant is het juist helder en droog.
Het föhneffect is ook vanaf boven te zien. Wolken met neerslag botsen tegen de zuidkant van de hoofdkam van de Alpen aan. Aan de noordkant is het juist helder en droog.