De meest extreme klimaatscenario’s verdwijnen: wat betekent dat echt?
Afgelopen week verschenen talloze berichten over een advies van de internationale groep klimaatwetenschappers die de toekomstscenario’s voor het klimaat opstelt. Voor het volgende grote klimaatrapport worden de meest extreme scenario’s geschrapt: zowel het scenario met de minste als dat met de meeste opwarming. Maar waarom gebeurt dit? Wat verandert er precies? En is het wel echt zo’n grote ontwikkeling? In dit artikel duiken we in de achtergrond van dat advies.Waar is zo’n advies op gebaseerd?
Het advies is geschreven door een groep internationale wetenschappers van het World Climate Research Programme. Binnen het project CMIP vergelijken zij grote klimaatmodellen met elkaar. Eens in de zoveel jaar kijken zij opnieuw naar mogelijke klimaatscenario’s tot 2100, waarbij zij inmiddels toe zijn aan de zevende ronde. De uitkomsten daarvan worden later verwerkt in het nieuwe klimaatrapport van het IPCC, het internationale klimaatpanel.
Omdat het onmogelijk is om precies te voorspellen hoeveel de aarde zal opwarmen, werken wetenschappers met verschillende scenario’s, de zogeheten SSP’s. Die zijn gebaseerd op huidige uitstoot, aannames over toekomstige uitstoot, maar ook op verwachte technologische ontwikkelingen, zoals de verdere groei van zonne- en windenergie.
De huidige scenario’s lopen uiteen van nauwelijks verdere opwarming boven de 1,5 graad, een grens die we inmiddels al bijna hebben bereikt, tot zeer sterke opwarming waarbij de mondiale temperatuur met meerdere graden stijgt. Dat laatste is het zogenaamde SSP5-8.5-scenario. Deze scenario’s zijn inmiddels bijna twintig jaar oud en waren dus ook toe aan een update. Een werkgroep van CMIP heeft onder leiding van de Nederlandse wetenschapper Detlef van Vuuren nu een advies geschreven waarin de scenario’s worden aangepast. Daarbij verdwijnen zowel het laagste als het meest extreme scenario uit het advies.
Waarom zijn de extreme scenario’s verdwenen?
Dat die uiterste scenario’s worden geschrapt, is eigenlijk niet zo verrassend. De wereld is inmiddels veranderd en het is duidelijker geworden welke richting de ontwikkeling opgaat. De scenario’s zijn namelijk geen voorspellingen van de toekomst. Ze laten zien wat de gevolgen van verschillende maatschappelijke en politieke keuzes voor het klimaat kunnen zijn richting 2100.
Het laagste, meest duurzame scenario kon bij het opstellen ervan alleen worden gehaald als de wereld in hoog tempo zou stoppen met het gebruik van fossiele brandstoffen. Inmiddels is duidelijk dat de uitstoot in de afgelopen grofweg tien jaar daarvoor te hoog is gebleven. Tegelijkertijd wordt ook het meest extreme scenario nu als onrealistisch gezien. Dat scenario ging ervan uit dat het gebruik van steenkool nog veel verder zou toenemen en dat er nauwelijks klimaatbeleid zou worden gevoerd. In werkelijkheid is de ontwikkeling van zonne- en windenergie de afgelopen jaren veel sneller gegaan dan in dat zwarte scenario werd aangenomen, mede doordat duurzame energie snel goedkoper is geworden. De nieuwe scenario’s die de komende jaren worden doorgerekend, moeten in 2027 of 2028 laten zien hoeveel opwarming daarbij hoort.
Klimaatscenario’s zijn geen toekomstvoorspellingen
Overigens klinkt de kritiek op SSP5-8.5 al langer. Al enkele jaren was zichtbaar dat dit meest extreme scenario waarschijnlijk niet meer het meest realistische pad was. De vraag is dan ook begrijpelijk waarom de scenario’s niet eerder zijn aangepast. Tegelijkertijd was dat grofweg tien jaar geleden nog veel minder duidelijk. Juist klimaatbeleid en de snelle, goedkope opkomst van duurzame energie hebben ervoor gezorgd dat SSP5-8.5 geleidelijk achterhaald is geraakt.
Achteraf is het altijd makkelijk om te zeggen hoe de ontwikkeling is gelopen. Maar juist daarom zijn klimaatscenario’s nadrukkelijk geen voorspellingen. Het zijn uitgewerkte toekomstbeelden van wat er zou kunnen gebeuren onder bepaalde omstandigheden. Dat het meest extreme scenario nu minder waarschijnlijk is geworden, is in die zin een lichtpunt. Het laat zien dat klimaatbeleid daadwerkelijk invloed heeft op de toekomstige opwarming van de aarde.
Tegelijkertijd is de vraag terecht of dit wel zulk goed nieuws is als sommige media er afgelopen week van maakten. Het klimaat warmt namelijk nog altijd op en de grens van 1,5 graad uit het Klimaatakkoord van Parijs lijkt niet meer haalbaar. Bovendien zullen in de eerste nieuwe berekeningen waarschijnlijk nog steeds scenario’s zitten waarin de opwarming uitkomt boven 2 graden. Dat zou grote gevolgen hebben voor het klimaat en voor extreem weer. Alleen als de mens de uitstoot de komende jaren echt snel terugdringt, in de nieuwe lage-uitstootscenario’s, blijft die grens waarschijnlijk buiten bereik.

Grafiek uit het onderzoek van Van Vuuren en collega's: de eerste snelle doorrekening van de verschillende scenario's. Alleen in de meest gunstige scenario's (L, low emission) zal de gemiddelde opwarming van het klimaat waarschijnlijk niet boven de 2 graden uitkomen. Als we op het huidige voet verder leven, dan komen we uit in het oranje scenario van ongeveer 3 graden opwarming in 2100.
Wat verandert er nu?
Voor het klimaat zelf verandert er dus niet ineens veel. Wat de nieuwe scenario’s wel veranderen, is de basis voor beleid. De SSP’s worden gebruikt in wetenschap en beleid, bijvoorbeeld om richtlijnen op te stellen voor aanpassing aan een veranderend klimaat. Ook het KNMI zal zijn klimaatscenario’s voor Nederland hier uiteindelijk op moeten aanpassen. Dat kan gevolgen hebben voor beleidskeuzes op de lange termijn, omdat je bijvoorbeeld bij het bouwen van infrastructuur minder rekening hoeft te houden met het meest extreme scenario.
Samenvattend kun je zeggen dat we met het verstrijken van de tijd iets scherper zijn gaan zien waar klimaatverandering waarschijnlijk op uitkomt. Twintig jaar geleden was de bandbreedte aan mogelijke scenario’s nog heel breed. Door voortschrijdend inzicht is die waaier nu iets smaller geworden. Dat is relevant voor beleid en planning, maar het betekent allerminst dat klimaatverandering nu verdwenen is.

