-
De gemiddelde temperatuur in januari over de 30-jarige periodes 1961-1990; 1971-2000 en 1981-2010 (boven) en de afwijking (onder), waarbij de periode van 1961-1990 op 0.0 is gesteld, voor de vijf hoofdstations.
De gemiddelde januaritemperatuur van de afgelopen dertig jaar in De Bilt. Vooral de langdurige zachte periode van 1988 tot en met 2008 valt op, met alleen een onderbreking in 1996 en 1997.
De gemiddelde neerslagsom in januari op de vijf hoofdstations. Boven: periode 1971-2000; onder: periode 1981-2010 plus afwijking.
De januarineerslag van de afgelopen dertig jaar in Eelde. Duidelijk is te zien dat de verschillen van maand tot maand behoorlijk groot zijn.
De gemiddelde zonneschijnduur in januari op de vijf hoofdstations. Verder is de weergave hetzelfde als op het neerslagkaartje hierboven.
Het aantal zonne-uren in januari in Vlissingen, gedurende de afgelopen dertig jaar. Duidelijk is te zien dat de maanden tot 1991 een stuk somberder verliepen dan de maanden daarna.
De gemiddelde zonneschijnduur in januari in Vlissingen in de jaren 1971-1990.
Dezelfde grafiek als boven, vanaf 1991. Het gemiddelde laat een stijging zien van 71%, wat niet alleen door een klimaatverandering verklaard kan worden (zie tekst).
Een 'ouderwetse' Campbell-Stokes zonneschijnmeter, waarmee de zonne-uren tot het begin van de jaren 90 werden bepaald. Foto: archief.
-
De nieuwe norm voor januari22.02.2010 12:15
.
-
Advertentie
De nieuwe norm voor januari.
Met het verstrijken van 2010 kunnen we de nieuwe 30-jarige norm die loopt van 1981 tot en met 2010 gaan opstellen. Inmiddels is dat voor januari gebeurd en we zullen deze nieuwe getallen eens gaan vergelijken met de ‘oude’ norm die we nu nog hanteren en die geldt voor de periode 1971-2000. Er valt wel het een en ander te zeggen over de uitkomsten.
Opwarming gaat verder.
Op het eerste kaartje (zie linksboven) is voor de stations Den helder, Eelde, De Bilt, Vlissingen en Beek weergegeven wat de gemiddelde januaritemperatuur was over de 30-jarige periodes van 1961-1990; 1971-2000 en 1981-2010. Daaronder is de afwijking weergegeven, uitgaande van 1961-1990.
De uitkomsten zijn duidelijk, omdat de trend op ieder van de vijf hoofdstations hetzelfde is. Voor wat betreft januari, is de 10-jarige periode van 1961-1970 een stuk kouder verlopen dan die van 1991-2000, vandaar dat er een relatief sterke stijging in de gemiddelde temperatuur optreedt van 0.5 of 0.6 graden. Nu we ook de jaren ’70 weg gaan laten en vervangen door de ‘nul’ jaren van deze eeuw, zet die stijging iets gematigder door. De afwijking ten opzichte van de periode 1961-1990 varieert nu van +0.7 graden in Beek, tot een volle graad in de plus in Eelde, waar het januari gemiddelde van 1.3 naar 2.3 graden is gestegen. Kijken we naar de individuele jaren sinds 1981, dan zien we dat er een aanzienlijk kans is dat de stijging de komende jaren nog verder zal doorzetten. Het begin van de jaren ’80 leverde nogal wat winterweer op en dus koude januarimaanden, een beeld dat pas vanaf 1988 wreed werd doorbroken (zie hiernaast). Er volgde toen een lange periode met zachte januarimaanden die duurde tot en met 2008. Deze reeks werd alleen in 1996 en 1997 onderbroken. De komende zeven jaar zal januari dus minstens zo koud moeten verlopen als toen, wil het gemiddelde niet verder stijgen. Pas daarna zouden we aan een afkoeling kunnen gaan denken.
Voor De Bilt is daarnaast voor iedere dag afzonderlijk de gemiddelde temperatuur van de afgelopen dertig jaar berekend en vergeleken met de 30-jarige periode van tien jaar eerder. Uiteraard zijn sommige dagen koeler geworden en andere zachter, maar het is opvallend dat slechts één dag (namelijk 27 januari) geen verandering liet zien. Zowel in de oude als in de nieuwe norm kwam deze dag op 2.7 graden uit. Op 14 van de 31 dagen was het verschil tussen ‘oud’ en ‘nieuw’ gering, met hooguit 0.2 graden afwijking naar boven of beneden. Gezien het stijgende maandgemiddelde is het logisch dat een duidelijk meerderheid van 21 dagen warmer zijn geworden. De afwijkingen zijn soms fors. Slechts twee dagen zijn meer dan een halve graad kouder geworden, maar 13 januaridagen pakken meer dan een halve graad warmer uit. Vier dagen laten zelfs een afwijking naar boven zien van minstens een volle graad en dat geldt voor het groepje van 17 tot en met 20 januari. Daarvan is de 20e het ‘warmst’ geworden: ‘nieuw’ 4.2 graden, tegen ‘oud’ 2.8 graden. Grappig is dat zowel de dagen die warmer als kouder zijn geworden, geclusterd optreden. De hele eerste januariweek is warmer geworden, maar 8 tot en 11 januari zijn juist iets afgekoeld. Ook 23 tot en met 26 januari zijn een weinig afgekoeld. Alleen 15 januari zit met een afwijking van -0.2 graden ingeklemd in een periode van elf dagen met een opwarming, lopende van 12 tot en met 22 januari. Ook de laatste vier dagen van de maand zijn zachter geworden. Als we alle plussen en minnen vereffenen, dan houden we een overschot van 10.1 graaddagen over, wat op maandbasis inderdaad neerkomt op 0.3 graden.
De neerslag.
In het kaartje hiernaast is voor de vijf hoofdstations de gemiddelde januarineerslag weergegeven voor de vijf hoofdstations. Boven is de nu nog geldende norm gegeven, daaronder staat de nieuwe norm, lopende van 1981 tot en met 2010. We zien dat januari op de meeste plaatsen iets natter is geworden, maar dat er in het zuidwesten nauwelijks iets is veranderd. De afwijkingen zijn het grootst in het oosten en noordoosten van het land, namelijk tussen de 5 en 10%.
Neerslag is een erg grillig element, wat we hiernaast kunnen zien als we voor Eelde de januaritotalen van de afgelopen dertig jaar bezien. Viel er in vijf januarimaanden méér dan 120 mm, in vier andere louwmaanden werd de 20 mm niet, of maar net overschreden. Alleen al gedurende de laatste vier jaar was het verschil tussen de natste januarimaand (uit 2007) en de droogste (de afgelopen januari) zo’n honderd millimeter. Gezien het grillige karakter van de neerslag, zal het 30-jarige gemiddelde altijd behoorlijke schommelingen laten zien, afhankelijk van of er net een paar droge of natte maanden afvallen of bijkomen.
De zonneschijn.
In tegenstelling tot de neerslag, valt er over de hoeveelheid zonneschijn veel meer te zeggen.
Op het kaartje hiernaast is het aantal zonne-uren op dezelfde wijze weergegeven als bij de neerslag. We zien hier op alle hoofdstations een spectaculaire stijging in het aantal zonne-uren. Januari heeft samen met november de minste zonne-uren van het jaar, na december natuurlijk. Lag de oude norm van 1971 tot en met 2000 rond de 50 uren, landelijk bezien is daar nu maar liefst rond tien uur bijgekomen, een afwijking van rond 20% naar boven! De geringste, maar toch nog forse afwijking naar boven zien we in het noordoosten van het land en langs de westkust is deze afwijking het grootst. In Vlissingen bedraagt het verschil zelfs 22%! Is januari inderdaad zo spectaculair zonniger geworden, of is hier meer aan de hand?
Klimaatverandering of instrumentverandering?
Een feit is dat het wellicht wat zonniger is geworden, maar ‘wat zonniger’ verklaart niet een verschil van rond 20% in een 30-jarige periode, waarbij nota bene 20 jaren (die van 1981 tot en met 2000) hetzelfde zijn gebleven en alleen de zeventiger jaren van de vorige eeuw door de nuljaren van deze eeuw zijn vervangen. Door allerlei milieumaatregelen is de atmosfeer rondom ons wat schoner geworden, vooral daar het wat de hoeveelheid fijn stof betreft. De ‘global dimming’ is aan het afnemen en een indirect gevolg hiervan is, is dat ook het aantal dagen met mist is afgenomen. Een stijging in het aantal zonne-uren is een logisch gevolg.
Maar er is meer aan de hand. De laatste afbeeldingen hiernaast geven hiervan een indruk. Kijken we naar het aantal zonne-uren in januari in Vlissingen van de afgelopen dertig jaar, dan is de conclusie gerechtvaardigd dat het met die sterke stijging nog niet afgelopen is. De januarimaanden tot en met 1990 zijn uitgesproken somber verlopen. Niet één maand uit die periode wist tot 75 zonne-uren te komen en in meerdere maanden werd zelfs de 40 uur niet gehaald of maar net overschreden. Het verschil met de jaren daarna, vanaf 1991, is gigantisch. Sindsdien scoorden meer dan de helft van alle januarimaanden minstens 80 zonne-uren en écht sombere maanden kwamen niet meer voor. Dat er rond 1991 een grote en abrupte overgang plaatsvond kunnen we ook zien als het gemiddelde aantal zonne-uren in januari in Vlissingen van de laatste twintig jaar vergelijken met de twintig jaar daarvoor (zie hiernaast). In 1971 tot en met 1990 was dit gemiddelde 46.7 uren, in 1991 tot en met heden 80.0 uren, een stijging van maar liefst 71%! Kan een natuurlijke schommeling zo abrupt en intensief uitpakken?
Hoogstwaarschijnlijk nee. De reden van dit verschil ligt in belangrijke mate in het feit dat de zonneschijnduur tegenwoordig anders wordt gemeten dan vroeger. Tot aan het begin van de negentiger jaren werd de oude Campbell-Stokes methode gebruikt. Hierbij werd de zonneschijnduur bepaald door het zonlicht door een glazen bol te laten vallen en een brandspoor op een kartonnen strook te laten trekken. Tegenwoordig wordt er gebruik gemaakt van stralingsmeters, die niet alleen de straling van het zichtbare zonlicht, maar de straling in totaal meten. Uiteraard zijn beide methodes een tijdje naast elkaar gebruikt, om ze te kalibreren. Tegenwoordig wordt gesteld dat bij een inkomende straling van 120 Watt per vierkante meter of meer, de zon geacht wordt te schijnen, zoals de oude definitie zou luiden. Hoewel het KNMI stelt dat uit onderzoek blijkt dat de afwijkingen tussen de oude en de nieuwe methode klein zijn, wijst de praktijk kennelijk anders uit. Dat is door anderen in het verleden al eerder geconstateerd. De afwijkingen zijn bij een lage zonnestand (in de wintermaanden dus) het grootst, wat de harde cijfers nu ook duidelijk uitwijzen. Januari is inderdaad een stuk zonniger geworden, maar dat valt slechts zeer ten dele toe te schrijven aan een écht opgetreden natuurlijke schommeling. Wat dat betreft is het beter om nu van ‘stralingsuren’ te spreken, in plaats van ‘zonneschijnuren’. Voor wat januari lijkt het bijna zeker te zijn dat ook de komende tien jaar een forse stijging in het aantal zonne- of stralingsuren zal plaatsvinden, waarna we pas weer écht vergelijkingen kunnen maken op zonneschijngebied. Nu vergelijken we in ieder geval een beetje appels met peren, als de Campbell-Stokes metingen vergelijken met de metingen verkregen door stralingsmeters. Net zomin kunnen we, om eens een andere vergelijking te maken, een toptijd op natuurijs op een buitenbaan met vaste schaatsen, naadloos vergelijken met een navenante prestatie die verricht is op een overdekte hooglandbaan met klapschaatsen.
Overeind blijft in iedere geval wel staan dat januari iets warmer, natter en zonniger is geworden.
Bronnen: Meteo Consult, eigen archief, KNMI. Foto voorpagina: Wahid.
Door: Tom van der Spek
Beoordeel dit verhaal en/of stuur een reactie. -
