Leidt vroeg winterweer tot een koude winter?

Advertentie
  • De sneeuw die aan het begin van deze vorstperiode viel, kwam op een nog warme grond terecht. Deze foto is gemaakt in mijn tuin in Bennekom. Hoewel het aanhoudend bleef vriezen, bleven de tegels nat en smolt de sneeuw van onderen steeds verder weg. Op de tuintafel en in het perkje op de achtergrond, bleef de dikte van ruim 2 cm wél vrijwel in tact. Deze foto is, net als alle andere, gemaakt door Tom van der Spek.

    Het subtiele spel tussen de gevallen sneeuw die wil blijven liggen, maar door de bodemwarmte wordt geconsumeerd, levert dit verrassende beeld op. De ‘streep’ rechtsboven op de foto, markeert de overgang tussen twee tegels, die toch strak tegen elkaar aanliggen.

    De sneeuw die op 2 december viel, was zeer droog en de vlokjes erg klein, wat op deze auto’s heel goed is te zien.

    Een close-up van de luchtige sneeuw op een blad, die op 2 december viel.

    De sneeuw die gisteren (4 december) viel tijdens de eerste mislukte dooiaanval, was net als de twee dagen daarvoor, zeer luchtig van structuur, en viel in dichte, fijne vlokjes.

    De vrij krachtige zuidelijke wind deed geregeld de sneeuw van de daken afstuiven, waardoor er soms een, naar Nederlandse begrippen, blizzard-achtige toestand werd verkregen. Een échte sneeuwstorm is uiteraard wel wat anders…

    Toch was het tamelijk bar winterweer, die het verkeer behoorlijk hinderde, al bleef die hinder voor het autoverkeer ditmaal beperkt.

    Zomaar het zicht op een straat in Bennekom, tijdens flinke sneeuwval.

    Aan het eind van de middag was het lokale sneeuwdek tot 9 cm dikte gegroeid en werd het tijdelijk droog.

    In de avond bracht echter de tweede dooiaanval opnieuw een hele lading sneeuw.

    Om middernacht sneeuwt het nog steeds, maar is de luchttemperatuur inmiddels tot boven nul opgelopen. Hierdoor is de sneeuw al van de vensterbank al deels gesmolten en er vanaf gegleden. Verder is de sneeuwhoogte opgelopen tot twaalf cm.

  • Leidt vroeg winterweer tot een koude winter?
    05.12.2010 11:56

    Met dooi wordt er vandaag een punt achter de vorstperiode gezet. Het is tijd voor een kleine terugblik en we zullen zien dat het echt wel een bijzondere winterperiode was, waarbij ook een paar kouderecords zijn gesneuveld.

    • Advertentie



    Maar voor we daaraan beginnen, leggen we eerst even uit wanneer we ook alweer van een ‘koudegolf’ of van een ‘vorstperiode’ spreken. Tot slot kijken we nog even vooruit. Wat zegt zo’n vroege winterperiode nu over het verdere verloop van de winter?

    Koudegolven en vorstperiodes.

    Hoe typeren we een periode met stevig winterweer? Als er sprake is van een koudegolf, dan pakt de winter het meest fors uit, want de eisen zijn streng. Het moet minimaal vijf dagen op rij de hele dag blijven vriezen (zogenaamde ijsdagen) en daarbij moet de minimumtemperatuur op minstens drie dagen -10,0 graden of lager zijn. Het moge duidelijk zijn dat de meeste winters het niet tot een koudegolf brengen. De laatste dateert uit december en januari 1997, alweer bijna veertien jaar geleden. Tijdens die koudegolf werd ook de laatste Elfstedentocht gereden, op 4 januari.

    Uiteraard worden heel wat winters tekort gedaan, als we alleen maar naar koudegolven zouden kijken. Veel winters leveren flink wat winterweer op met sneeuw- en ijspret, zonder dat er sprake is van een koudegolf. Om ook die periodes te vangen is de ‘vorstperiode’ bedacht. Er is sprake van een vorstperiode bij een periode van vijf of meer dagen op rij, waarbij de gemiddelde etmaaltemperatuur onder nul ligt, waarbij die negatieve temperaturen bij elkaar opgeteld uitkomen op -16 of lager. Gewoonlijk worden die mintekens weggelaten en spreken we dus over het Hellmanngetal.

    Uiteraard komen vorstperiodes veel vaker voor dan koudegolven. Sinds 1901 heeft De Bilt er gemiddeld iets meer dan één per winter gehad. Er zijn echter genoeg winters geweest die het zonder vorstperiode moest stellen, terwijl andere winters er twee, of zelfs meer hebben gehad. Dat gold bijvoorbeeld ook voor de laatste winter. Het mooie van deze twee definities is dat ze elkaar aanvullen. Iedere koudegolf is ook een vorstperiode, wat natuurlijk heel logisch is.

    Een zeldzame vorstperiode.

    De voorbije winterse periode is er ook in geslaagd tot een vorstperiode uit te groeien. Hij begon al op 26 november, eindigde gisteren (zaterdag 4 december) en had dus een duur van negen dagen. In die periode wist het Hellmanngetal in De Bilt tot 28,0 punten op te lopen en de totale vorstsom (de sommatie van alle negatieve minimum- en maximumtemperaturen) tot 65,8 punten.

    Dat is een behoorlijke score, zeker als we meewegen dat de winter nog maar amper is begonnen! Er werden in De Bilt dan ook meerdere kouderecords gebroken. Zowel 1 als 2 december kende een recordlage maximumtemperatuur, de -6,1 graden op 2 december was zelfs de op één na koudste dag in ruim een eeuw tijd in het hele tijdvak vóór 17 december. Alleen meer dan honderd jaar geleden, op 6 december 1902, bleef het kwik bij een nog lagere waarde steken, namelijk -6,6 graden. Eergisteren, op 3 december, was ook nog eens de minimumtemperatuur van -9,7 graden, recordlaag voor die dag. Het kan dus ook tegenwoordig nog dat er kouderecords sneuvelen! Houdt daarbij in het achterhoofd dat de gemiddelde temperaturen in de eerste decemberweek op +1 graad staat voor de minimumtemperatuur en +6 graden voor de maximumtemperatuur, dan gaan die lage kwikstanden nog meer spreken. Dit jaar leverde de eerste drie decemberdagen een gemiddelde etmaaltemperatuur op van -6,2 graden in De Bilt en daarmee was dit trio precies 10,0 graden kouder dan de 30-jarige norm van 1971 t/m 2000. Ook dit geeft aan dat we een aantal bijzondere winterdagen hebben gehad.

    Een vorstperiode zo vroeg in het winterseizoen is niet uniek, maar wel heel zeldzaam. Van alle vorstperiodes die De Bilt heeft gehad sinds 1901, begonnen er tot dusver slechts vijf al in november. We hebben er twee gehad die zelfs helemáál in november vielen, waaronder de meeste recente vóór dit jaar. Van 19 t/m 24 november 1998 vond die plaats, met een Hellmanngetal van 18,2 en een vorstsom van 43,0 punten. We hebben ook nog een vroege vorstperiode gehad in 1993, maar de drie vroege vorstperiodes daarvoor vonden plaats in een grijs verleden, namelijk in 1925, 1921 en 1902. Die laatste viel ook geheel in november.

    Zwaait Thialf vroeg zijn staf, spoedig vindt hij dan zijn graf?

    Bovenstaande weerspreuk suggereert dat vroeg winterweer meestal niet de voorbode is van een koude of strenge winter. Maar is dat zo? In Nederland verlopen sowieso veel winters ronduit kwakkelig. Dat een winterperiode al in november begint en dan zonder onderbreking doorgaat, komt eigenlijk in ons land niet voor. Er is in de laatste 150 jaar precies één voorbeeld te vinden waarvoor dat wel gold, en dat is het najaar van 1890. Op 25 november viel de vorst toen in en afgezien van een korte onderbreking op 4 en 5 december, bleef het doorwinteren. Met de jaarwisseling was de vorstsom al opgelopen tot 358,8 punten en uiteindelijk zou de winter van 1890/’91 uitgroeien tot een zeer strenge winter met een totaal Hellmanngetal van 273,2 punten. Daarna zouden slechts vier winters nóg kouder verlopen, namelijk die uit 1963, 1947, 1942 en 1940.

    Een periode met dooi na een vroege vorstperiode is dus gewoon en kan dus geen maatstaf zijn. Om te kijken of we statistisch toch iets kunnen zeggen, hebben we alle winters die tot en met 5 december in De Bilt minimaal 10,0 Hellmannpunten hebben opgeleverd, er uitgelicht, sinds 1901. Dat bleken er zestien te zijn. Het is trouwens opvallend om te zien dat van de 110 winters, er 41 op 5 december nog op 0,0 punten stonden! Dat geeft eens te meer aan dat vroeg winterweer in ons land niet alledaags is.

    Van die zestien winters wisten er trouwens maar vier (!) méér Hellmannpunten te scoren tot en met 5 december dan de huidige vorstperiode en dat waren de winters van 1903, 1922, 1926 en 1994. Die laatste winter kon qua totale vorstproductie als een ‘gemiddelde’ winter worden beschouwd, één als ‘aan de koude kant’ en de laatste twee als ‘koud’.

    Als we alle winters indelen volgens het oplopende schema  van ‘zeer zacht’, via ‘zacht’, ‘aan de zachte kant’, ‘gemiddeld’, ‘aan de koude kant’ en ‘koud’ naar ‘streng’, dan waren er maar vier van die zestien winters ‘aan de zachte kant’, en niet één uit dit groepje werd uiteindelijk ‘zacht’ of  ‘zeer zacht’. Het meest ‘anti-winterse’ vervolg kende de winter van 1974. Tot Sinterklaas had die winter 15,3 Hellmannpunten opgeleverd en het totaal van de hele winter bleef toen steken op 24,3; dus er kwamen in het vervolg nog maar 9,0 punten bij. Ook na de vroege vorstperiodes in 1993 en 1998 bleek dat de winter zijn kruit al deels had verschoten. In beide winters wist het Hellmanngetal in de maanden daarna nog ongeveer te verdubbelen.

    Toch lijkt het erop dat, als we het totale groepje van zestien winters bezien, de winterliefhebber niet hoeft te vrezen dat we het allemaal nu al gehad hebben. Vijf winters verliepen in totaal ‘gemiddeld’ qua vorstproductie, en zeven winters, bijna de helft dus, verliepen kouder. Sterker nog, deze zeven winters leverden allemaal méér Hellmannpunten op dan de afgelopen winter, die bepaald niet zacht was, lang duurde en sneeuwrijk verliep. De topper is natuurlijk de koudste winter van de vorige eeuw, die van 1963, die op 5 december 1962 al tot een Hellmanngetal van 18,3 punten was gevorderd. Het zouden er uiteindelijk 345,9 worden…

    Kortom, de weerspreuk klopt vaker niet dan wel en zou beter kunnen luiden: ‘Zwaait Thialf al vroeg zijn staf, ook daarna wacht hij zijn kansen af!’ Dat lijkt ook volgens de huidige periode te gelden. Zelfs als nog niet alle sneeuw is weggesmolten, komt het kwik in het binnenland alweer onder nul, om daar de komende dagen vaker onder dan boven te vertoeven. Na opnieuw een verzachting komend weekend, lijkt Thialf daarna wederom zijn messen te slijpen. Hoe dat precies gaat uitpakken, moet uiteraard nog worden afgewacht, maar vooral de 0u run van het ECMWF van zondag was vanaf maandag 13 december weer bar koud. Stevige winden uit oost tot noordoost voeren dan opnieuw vrieslucht naar de Lage Landen. We kijken dan wel meer dan een week vooruit, dus de onzekerheid is nog vrij groot, maar het lijkt er inderdaad op dat Koning Winter al snel van plan is nieuwe kansen te creëren en misschien ook te grijpen!

    Bronnen: Meteo Consult, KNMI, eigen archief, ‘De barre winter van negentig’ van Hans de Jong, ‘Bar en boos, zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen’ van J. Buisman. Foto voorpagina: Tom van der Spek.

    Door: Tom van der Spek
    Beoordeel dit verhaal en/of stuur een reactie.
Volg MeteoConsult op Twitter