-
Typisch wisselend bewolkt. Foto: Martha Kivits.
Wisselend bewolkt en (zeer) warm vandaag. Het is zwemweer. Foto: Karin Broekhuijsen.
Afrikaanse zonsopkomst van Gé Ensing.
Nog eentje van Mark Wolvenne.
Ook hier niet geheel zonnig en wisselend bewolkt. Nog geen koudeput of trog op komst? Foto van Gerard Kiewiet.
Vanochtend in de Achterhoek. Foto van Stan Bouman.
En dit hoort zeker bij een trog en/of koudeput! Foto van Alex.
-
Wat bedoelen we met....? (2)14.07.2007 12:14
Vorige week vrijdag schreven we over weertermen en wat het Nederlandse publiek er van denkt. Aan het einde van het artikel volgde een nieuwe “opgave” met zes andere weertermen en daarop werd door u leuk gereageerd. We zouden hier op terug komen. Welnu, hier volgen de antwoorden en uw reacties. Reuze bedankt hiervoor!
-
Advertentie
De eerste term waarover wij uw gedachte wilden laten gaan was wisselend bewolkt. Hiermee bedoelen wij in de weersverwachting een zonneschijnpercentage van 20 tot 60% en hoort bij een typische Hollandse wolkenlucht: een blauwe lucht met daarin verspreid vooral stapelwolken in diverse grootten. Eventueel kan de wisselende bewolking samengaan met buien. Wisselend bewolkt is overigens precies hetzelfde als perioden met zon. En uit uw uiteenlopende antwoorden blijkt dat we de term wisselend bewolkt kunnen blijven gebruiken! Want eigenlijk iedereen begreep wel wat we hiermee bedoelen, aangezien geen enkele lezer totaal iets anders schreef.
De tweede term was lastiger, maar de meesten zaten goed of in elk geval goed in de richting. Wij wilden weten wat u onder koudeput verstaat. Dit leverde onder meer de volgende antwoorden op: “lagedruk met sneeuw, polar low”, “een hoeveelheid koude lucht”, “lagedrukgebied dat aangedreven wordt door koude lucht vanaf de pool, zo ontstaat een laag met hele koude (boven)lucht”, “een langstrekkend gebied waarin een plotselinge sterke daling van temperatuur plaatsvindt” en “een periode waar men steeds in dezelfde weersoort blijft hangen”. Een koudeput is, inderdaad, een lagedrukgebied, vooral in de bovenlucht, gevuld met koude lucht. Een polar low, dat door een enkeling werd geschreven, is dan ook een goed voorbeeld van een koudeput. De koude lucht in de put hoeft echter niet per definitie afkomstig te zijn van de Noordpool. Verder komt wel eens voor dat er op zeeniveau een hogedrukgebied ligt, terwijl er op hoogte bijvoorbeeld 5,5 kilometer juist een gebied met lagedruk is te vinden. De put kan soms lang aanhouden en vormt een eigen weersysteem, waarin zich onstabiele lucht bevindt. Het weer wordt dan ook gekenmerkt door (veel) zware regen- of onweersbuien. In tegenstelling tot een lagedrukgebied dat zich aankondigt met toenemende bewolking en neerslag, zijn er op nadering van een koudeput juist vaak grote opklaringen. De buien zitten over het algemeen aan de achterzijde van de put. Van een echte overgangszone tussen luchtsoorten, een zogeheten front, is bij een koudeput dan ook geen sprake.
Conclusie: gezien de uiteenlopende antwoorden van uw kant lijkt het mij niet raadzaam om de term koudeput vaak te noemen in onze presentaties en weerberichten, zeker niet in een kort weerbericht. In een bijvoorbeeld uitgebreid kranteweerbericht of uitgebreide radio-uitzending is dat wat anders, omdat je er dan uitleg bij kan geven.En dan de voor ons weerkundigen o zo bekende term trog. Wie in het woordenboek kijkt, treft bij de uitleg “kneedbak” of “voerbak voor varkens” aan. Dat heeft natuurlijk niets met het weer te maken en bedoelen we dan ook niet. Walram Planken gaf een goede uitleg van de geologische term trog: “diep gat in de oceaan. Voornamelijk te vinden op plekken waar een tektonische plaat onder een andere plaat schuift.” Maar dit is niet wat wij weerkundigen onder trog verstaan. Ook Edwin van der Ham kent de trog als “een heel diepe plek in de oceaan”. Hij schreef er wel bij: “Ik vermoed dat het meteorologische fenomeen een vergelijkbaar iets is. Misschien is het vergelijkbaar met een koudeput, echter dan niet met opvallend koude lucht”. Edwin zit hiermee goed in de richting. Danny van der Weert noteerde bij de trog “zowel warmte als koufront”, Alex Sytsma dacht onder trog “een zeer laag drukgebied” te verstaan, Rick ter Avest “een uitdiepende depressie”, een anonieme lezer merkte op dat “bovenlucht en lagere luchtlagen in elkaar opgaan” en R. Kottink wist het niet zeker: “lage luchtdruk? Is tegenovergestelde van een rug van hoge luchtdruk?”. De meeste lezers maakten wel de associatie met een depressie. En inderdaad gaat de trog samen met een lagedrukgebied en kan de trog als tegenovergestelde van een rug c.q. uitloper van hoge luchtdruk worden gezien. Het is in feite een gedeelte van een depressie, een uitstulping ervan, met langs de as van het systeem een groter luchtdrukverschil dan aan weerszijden van die as. De lucht is onstabiel van opbouw en gaat vaak samen met een buiig weertype. Verder wordt de trog gekenmerkt door het plotseling en flink draaien van de wind met de wijzers van de klok mee (dat heet ruimen van de wind) na passage ervan, het vaak sterk dalen van de luchtdruk voor de trog uit en het meestal flink stijgen van de luchtdruk aan de achterzijde.
Voor de weerliefhebbers van extreem (slecht) weer is de trog toch een van de mooiste fenomenen, maar het valt toch wel op dat in de media het woord trog niet erg vaak in de mond wordt genomen en veelal wordt omschreven als “typische buienstoring”, “buienzone/buiengebied“ of “uitloper van een lagedrukgebied”. Persoonlijk ben ik daar ook een voorstander van, al kunnen wij weermensen ook kiezen voor het benoemen van beide termen, dus bijvoorbeeld: "Vandaag trekt een typische buienstoring, een trog, over het land...". Kortom, hier geldt hetzelfde als bij de term koudeput: zeker in een uitgebreid weerbericht kunnen en mogen we de termen gewoon benoemen.
De vierde term, meest droog, gaf in grote lijnen geen moeilijkheden voor u. Eigenlijk is het een Anglicisme, dus een uit het Engels afkomstige term, namelijk mostly dry. Het synoniem ervan is onder meer overwegend droog, en dat kwam ook duidelijk naar voren in uw reacties. Zeker bij ene Ruud: “meest droog is wel erg voor de hand liggend…”. Verder reageerde Rick ter Avest met “kleine kans op regen, 20%?”, R. Kottink schreef “meestal droog, tot 5% kans op regen” en Eric Poppe merkte op: “als ze dit zeggen mag je je paraplu niet vergeten, ze denken dat het op de meeste plaatsen droog zal blijven maar niet overal, bij jou dus niet!” Al bij al levert de term geen grote verwarringen op en kunnen we meest droog dus blijven gebruiken in onze weerpraatjes.
Het opvullende lagedrukgebied, de vijfde term, lokte een aantal opvallende reacties uit. De meeste reacties waren helemaal juist of zaten goed in de richting. Een lezer schreef: “zich uitbreidend lagedrukgebied, het lagedrukgebied zal een groter gebied gaan bestrijken dan voorheen”, J. van den Oosten noteerde: “een lagedrukgebied dat de ruimte inneemt van een hogedrukgebied”, Alex Sytsma had het over “een niet actief lagedrukgebied”, een andere lezer schreef: “dat is een lagedrukgebied dat langzaam verdwijnt in het niets” en Eric Poppe dacht onder een opvullend lagedrukgebied “een lagedrukgebied dat de gaatjes tussen twee warmedrukgebieden opvult” te verstaan. De juiste uitleg is dat de luchtdruk binnen een depressie (in de kern, het centrum) stijgt, waarmee de activiteit van het lagedrukgebied duidelijk afneemt. Binnen afzienbare tijd zal het lagedrukgebied niet meer als zodanig op de weerkaart te herkennen zijn en zal het weer beter worden. Overigens hoeft het weer in een opvullend hogedrukgebied niet altijd mooi te zijn. Gezien de antwoorden lijkt het mij geen probleem om opvullend lagedrukgebied af en toe te gebruiken. Eigenlijk geldt net als bij trog en koudeput: vooral in een uitgebreid weerbericht is daar ruimte voor. Ook in de weerlijn schuwen wij deze term niet.
De zesde en laatste weerterm, losse bui, leverde uiteenlopende antwoorden op maar de strekking ervan was bij de meeste lezers toch wel duidelijk. De leukste reactie kwam wat mij betreft van Eric Poppe: “een enkele bui, maar meest droog, dit geeft men op als men niet weet wat het doen gaat, zo hebben ze altijd gelijk…”. Verder meldde Rob den Boer hierover: “bui niet behorend tot een regengebied, maar die spontaan kan ontstaan door bepaalde atmosferische omstandigheden (temperatuurverschillen, vocht)” en gaf Danny van der Weert aan: “Een einzelgänger bui :-) dus geen hele rits.”
Samengevat: dankzij uw reacties mogen we stellen dat de hierboven vermelde weertermen in media gebruikt kunnen blijven worden door ons weermannen en weervrouwen. De ene term komt wellicht wat vaker voorbij dan de andere, maar er is naar aanleiding van uw antwoorden geen reden om een weerterm beslist niet meer te noemen.
Jordi Bloem
Foto voorpagina: Gerard Kiewiet.
Beoordeel dit verhaal en/of stuur een reactie. -
