Een slappe, vorstrijke winter

Deze winter leert dat een winter tegelijkertijd slap, maar toch vorstrijk kan zijn. We praten u bij.

Een winter die slap is en toch vorstrijk, lijkt tegenstrijdig te zijn, maar toch zien we dat de huidige winter hard op weg is dat predicaat te verwerven. Vooral deze maand heeft het toch erg vaak gevroren, maar waren ijsdagen zeldzaam. Nu het er naar uitziet dat de huidige winterse periode beëindigd gaat worden, wordt het tijd een en ander eens op een rijtje te zetten.

Een eigen winterdefinitie

De vijf winters van 2009 tot en met 2013 hebben aardig wat winterweer opgeleverd. Het waren absoluut geen zeer koude of strenge winters, maar volgens de definitie van het KNMI waren dit qua vorstproductie, ‘normale’ winters.
Persoonlijk vind ik de grenzen die het KNMI hiervoor hanteert, erg wijd. Een winter die een Hellmanngetal scoort van 40 tot 100, wordt namelijk geacht ‘normaal’ te zijn verlopen, een zeer grote spreiding, die niet optimaal recht doet aan het grote verschil in ‘wintergevoel’ dat menigeen krijgt bij een winter die bijvoorbeeld in de 40 Hellmanpunten scoort zoals in 1993 en 1999, in vergelijk met een winter die bijna honderd Hellmannpunten haalt, zoals in 2010. Ik heb daarom een eigen definitie gemaakt, waarbij ik de honderd winters uit de 20e eeuw als leidraad heb gebruikt.

De twee koudste winters van die honderd noem ik ‘zeer streng’, de vijf koudste winters ‘streng’ en de tien koudste winters ‘zeer koud’. Een ‘zeer koude’ winter scoort aldus minstens 158 Hellmannpunten in De Bilt, iets wat in 1985 (!) voor het laatst is gebeurd. Logischerwijs noem ik vervolgens de twintig koudste winters ‘koud’ en de veertig koudste ‘aan de koude kant’. Aan de andere kant van het spectrum zijn natuurlijk de veertig zachtste winters ‘aan de zachte kant’ of nog zachter. Er blijven dan in het midden twintig winters over, die het predicaat ‘normaal’, of liever ‘gemiddeld’ meekrijgen. In mijn definitie scoort een ‘gemiddelde’ winter in De Bilt 35 tot 73 Hellmannpunten. Hiermee krijgen de vijf winters van 2009 tot en met 2013 gevoelsmatig een betere beoordeling mee. Nu is er nog maar één ‘gemiddeld’ (2009); de andere vier zijn nu ‘aan de koude kant’, geworden, dit uiteraard bezien in het licht van de vorstproductie in deze winters. Vooral voor de winter van 2012 is dat een belangrijke overweging, want dat was in feite een bizarre winter, die extreem zacht was, met uitzondering van twee, juist extreem koude weken tussen 29 januari en 12 februari, tijdens welke zelfs serieus over een Elfstedentocht werd gesproken… die er niet kwam. Hoe bijzonder die koudegolf was, blijkt wel uit het feit dat geen enkele winter sinds 1901 in de periode 1-11 februari in De Bilt kouder is verlopen dan in 2012!
Helaas voor de winterliefhebbers, scoorden de drie winters die daarna kwamen, qua vorstproductie, bedroevend. Met respectievelijk 0,0; 7,8 en 9,6 Hellmannpunten in De Bilt, vielen deze drie winters met gemak in de categorie ‘zeer zacht’, het predicaat die ik aan de tien zachtste winters van de 20e eeuw heb gegeven en die eindigt bij 18 Hellmannpunten. Misschien moeten we de vijf winters met de minste vorstproductie wel ‘extreem zacht’ noemen en de twee zachtste ‘uitzonderlijk zacht’. Voor de winters uit de 20e eeuw liggen die grenzen dan bij 13 en bij 4 Hellmannpunten. Niet één winterliefhebber zal er wellicht problemen mee hebben dat dit predicaat inderdaad geldt voor de ‘winter’ van 2014, terwijl de andere twee dan ‘extreem zacht’ worden genoemd.

Deze winter doet het beter…

Het moge duidelijk zijn, ook de huidige winter is alles behalve een hoogvlieger, maar hij doet het toch stukken beter dan zijn drie voorgangers. Een periode met stevige oostenwinden die vrieslucht aanvoert met als gevolg een reeks ijsdagen, is ons niet gegund, het is duidelijk een winter van de stralingsvorstjes. De echte transportkou die een enkele keer ons land wist te schampen, werd vooral richting de Balkan gevoerd, waar men wél een echt koude winter beleeft, tot dusver.
In november en december kregen we al tot drie maal aan toe een zogenaamd ‘flitswintertje’ te verwerken, maar de huidige periode, hoewel niet helemaal aanhoudend, heeft toch een wat langere adem. Ook nu kwam de transportkou niet uit de verf, al leek het er even op aan het begin dat dit misschien wel zou lukken. Maar ook met een stralingsvorst kan het flink afkoelen en lokaal is het dan ook tot strenge vorst gekomen. Nu de aanwijzingen steeds duidelijker worden dat deze winterse periode komend weekend tot een eind komt, zullen we eens een tussenbalans opmaken.
Tot en met gisteren heeft De Bilt 27,8 Hellmannpunten gescoord, en uiteraard staat deze winter daarmee nog nadrukkelijk bij de zachte helft, sinds 1901, met een 84e plaats. Volgens mijn definitie valt deze winter daarmee al niet meer in de ‘zeer zacht’ of ‘zacht’ categorie, maar al in de wat koudere klasse daarboven, die ik ‘aan de zachte kant’ heb genoemd en die loopt van 23 tot 35 Hellmannpunten.
Dat een slappe winter tóch ‘vorstrijk’ kan zijn, zien we wel deze maand. Er zijn veel nachten geweest met enige (of zelfs wat meer) vorst, waardoor het ‘wintergevoel toch langere tijd in stand bleef. Als we er vanuit gaan dat het de komende twee nachten in De Bilt nog zal vriezen en daarna deze maand niet meer, dan komt januari op een totaal van 17 dagen met vorst en daarmee slaat de louwmaand geen gek figuur met een gedeelde 41e tot 45e plaats, als we alle januarimaanden sinds 1901 van ‘vorstrijk’ naar ‘vorstarm’ rangschikken. In totaal 29 januarimaanden hadden 20 vorstdagen of meer, en elf hadden er 25 of meer. Helemaal bovenaan staan januari 1940 en 1963, met 31 en 30 vorstdagen!
Deze eeuw is er maar één januarimaand geweest met méér vorstdagen dan de huidige winter en dat was in 2006 (22 vorstdagen). De winter van 2006 staat trouwens met 31,5 Hellmannpunten niet eens zoveel hoger in het klassement dan de huidige winter. Met heel februari en maart nog voor de boeg, kan die winter nog gepasseerd worden, al lijkt het begin februari vrij zacht te zijn.

Geen vorstperiode

 De afgelopen periode heeft lokale sneeuw- en ijspret opgeleverd, al was dat laatste wel een dubbeltje op zijn kant. Op ondergespoten sintelbaantjes en ondergelopen weilandjes lukte dat het best, want het schaatsen op natuurijs was toch dikwijls een meer hachelijke onderneming, op krakende ijsvloertjes van ruim 3 tot 6 cm dikte. Toch konden er lokaal aardige schaatstochtjes worden gehouden.
In De Bilt was de vorst de afgelopen periode net niet sterk en aanhoudend genoeg om van een ‘echte’ vorstperiode te kunnen spreken. Hiervan is sprake als er in een aanhoudende periode van minimaal vijf dagen met een negatieve etmaalgemiddelde temperatuur, minstens 16 Hellmannpunten bijeen worden gesprokkeld. Die 16 punten geeft de grens aan waarbij er op redelijk wat plekken op natuurijs, zonder daarbij te risicovol bezig te zijn, geschaatst kan worden. Deze periode geeft aan dat dit eigenlijk nét niet lukte. Aan de duur lag het niet, want de reeks was in De Bilt een volle week lang, maar met in totaal 13,0 Hellmannpunten, kwamen we drie punten te kort… Wat het schaatsen betreft, wat het dus inderdaad kantje boord.
Misschien dat gedurfde schaatsers vrijdagochtend, na opnieuw twee nachten met lichte tot matige vorst, zeer lokaal nog een poging zullen wagen, maar daarna lijkt het toch over en uit te zijn. Misschien dat februari nog nieuwe winterperspectieven oplevert. Tot in maart kunnen daarbij nog verrassingen optreden, zo heeft het nabije verleden (2013!) geleerd. Die verrassingen zouden ervoor kunnen zorgen dat de winterliefhebbers eind maart, dan toch met een redelijk tevreden gevoel als ze terugkijken naar de winter van 2017, het winterboek kunnen sluiten.

Bronnen: MeteoGroup. KNMI, Mscha, Weerwoord, eigen archief.