Zomer 1947 valt van voetstuk

Het KNMI heeft de temperatuurreeksen bijgesteld en daarmee is de zomer van 1947 niet langer de warmste ooit. Worden 'Warnsveld' en 'Winterswijk' ook bijgesteld?

Voor meteorologen was het lange tijd een ABC-tje… Als je hen naar de warmste zomer ooit in Nederland vroeg, dan was het antwoord steevast de zomer van 1947.

Als één van de laatste (warme) seizoenen van vroeger voerde dit monument onder de zomers in De Bilt nog altijd de ranglijst van warmste zomers aan. Niet alleen voor wat de gemiddelde temperatuur betreft (18,7 graden), maar ook als zomer met het hoogste warmtegetal (221,3), de meeste hittegolven in één seizoen (4), het grootste aantal zomerse dagen (46) en het grootste aantal tropische dagen (16).

Zomer 1947 valt van voetstuk
Voerde. Want intussen is dit allemaal veranderd. Het KNMI heeft de temperatuurreeks van onder meer het station De Bilt ‘gehomogeniseerd’, zoals dat zo mooi heet. Nieuwe onderzoeksmethoden hebben ertoe geleid dat temperaturen van vooral voor 1970 her en der zijn bijgesteld, om ze beter vergelijkbaar te maken met de temperaturen zoals die tegenwoordig worden gemeten. En voor onder meer de zomer van 1947 heeft deze bijstelling flinke gevolgen gehad.

Zo is de gemiddelde temperatuur van de zomer van 1947 verlaagd, van 18,7 graden voorheen naar 18,0 graden nu. Daarmee daalt 1947 op de ranglijst van warmste zomers in De Bilt van plek 1 (voorheen) naar plek 6 nu. Het stokje wordt overgenomen door de zomer van 2003, die nu als warmste sinds het begin van de waarnemingen in de boeken staat met een gemiddelde temperatuur van 18,7 graden. Ook de zomers van 2006 (18,5), 1976 (18,4), 1983 (18,2) en 1995 (18,2) blijken na herberekening van de temperaturen nu warmer dan de zomer van 1947 te zijn geweest.

Veel hittegolven geschrapt
Andere gevolgen voor de zomer van 1947 zijn het terugbrengen van het aantal warme dagen (boven 20 graden) van 76 naar 67, zomerse dagen (boven 25 graden) van 46 naar 35 en tropische dagen (boven 30 graden) van 16 naar 8. Verder zijn drie van de oorspronkelijk 4 hittegolven, die de zomer van 1947 op basis van de oude metingen had voortgebracht, verdwenen. Sowieso zijn 16 hittegolven uit de periode voor 1950 geschrapt, nu er een nieuwe temperatuurreeks geldt. Het warmtegetal, opgebouwd in de zomer van 1947, is teruggebracht van 221,3 (oude reeks en eerste plaats) naar 159,2 (nieuwe reeks, nu goed voor een vierde plaats). Alleen al voor deze zomer zien we dus grote verschillen optreden.

Uitleg KNMI
‘De historische temperatuurreeksen van de vijf oudste KNMI-meetstations zijn de afgelopen jaren onderzocht op onregelmatigheden die zijn ontstaan door verplaatsingen van de stations’, schrijft het KNMI op zijn site. ‘Deze onregelmatigheden zijn opgespoord en gecorrigeerd. Dit levert een herziene temperatuurreeks op die meer betrouwbare dagtemperaturen bevat van de KNMI-stations De Kooy (Den Helder), Eelde (Groningen), De Bilt, Vlissingen en Beek (Maastricht)’. 

De uitleg is de volgende: ‘Al ruim een eeuw wordt in Nederland op regelmatige basis en op vaste plaatsen dagelijks de temperatuur gemeten en vastgelegd. Dat heeft een lange tijdreeks van temperatuurmetingen opgeleverd.

Door de jaren heen zijn de meetlocaties echter veranderd. Sommige meetstations moesten verplaatst worden omdat er werd gebouwd of de metingen werden te veel beïnvloed door begroeiing of bebouwing. Zo is het KNMI-meetstation Den Helder in 1972 verplaatst van de Noordzeedijk naar de polder. Het meetstation Maastricht lag tot 1951 in de stad en werd verplaatst naar vliegveld Beek dat 9 kilometer verderop ligt en 65 meter hoger.

Door de verplaatsingen zijn de langjarige metingen op dagbasis minder goed met elkaar te vergelijken. Ze leiden tot een breuk of sprong in de meetreeks. Gelukkig zijn bij verplaatsingen van meetstations – net als bij het vernieuwen van meetinstrumenten - langere tijd metingen op beide locaties gedaan. Met behulp van deze ‘parallelle’ metingen kunnen de oude metingen, indien nodig, gecorrigeerd worden. Het eindresultaat is een reeks waar de sprong is verdwenen en metingen over de gehele lengte van de reeks onderling vergelijkbaar zijn’. Tot zover de uitleg van het KNMI.

Warnsveld en Winterswijk
Nu stammen de twee absolute temperatuurrecords voor ons land ook uit de periode van voor 1970. Zo staat de hoogst gemeten temperatuur nog altijd op naam van Warnsveld waar op 23 augustus 1944 een maximumtemperatuur 38,6 graden werd gemeten. Het laagterecord voor de temperatuur werd op 27 januari 1942 in Winterswijk bereikt. Daar daalde de temperatuur toen tot -27,4 graden. Met de grote veranderingen in het achterhoofd die de recente homogenisatie van de temperatuurreeks in onder meer De Bilt tot gevolg heeft gehad, rijst natuurlijk ook de vraag in hoeverre de absolute records voor Nederland nog met de huidige metingen vergelijkbaar zijn?

In het blad Meteorologica van de Nederlandse Vereniging van Beroeps Meteorologen (NVBM) werd vorig jaar in december aandacht besteed aan dit onderwerp. Theo Brandsma en Rob Sluijter (beiden van het KNMI)
  schreven daarin: ‘De absolute temperatuurrecords van Winterswijk (1942) en Warnsveld (1944) zijn officiële records in de zin dat ze het resultaat zijn van officiële, onder auspiciën van het KNMI verrichte, gevalideerde en gepubliceerde waarnemingen. De waarnemingen voldoen aan de eisen van de tijd waarin ze verricht zijn. (…)

Hoewel de metingen kloppen, hebben we ook gezien dat door veranderingen in meetmethoden en waarneemlocaties de records niet direct vergelijkbaar zijn met moderne waarnemingen. Het kouderecord van Winterswijk zou tegenwoordig wellicht extremer kunnen uitpakken, terwijl we het hitterecord van Warnsveld iets naar beneden zouden moeten bijstellen.
 

Ook aanpassen?
Moeten we deze records daarom aanpassen? (…) Voor klimaatonderzoek is het van belang dat we voor een beperkte set stations met lange reeksen zo goed mogelijk correcties aanbrengen – homogeniseren – (zoals nu is gebeurd, RvdB), zodat we ook weten hoe de extremen veranderen (…). In toenemende mate zullen we gebruik gaan maken van gehomogeniseerde reeksen, ook in de communicatie van records. De stations Winterswijk en Warnsveld behoren tot de categorie opgeheven stations en zijn voor klimaatonderzoek van minder belang dan bij voorbeeld de vijf hoofdstations. Niettemin is het goed mogelijk dat we in de komende jaren ook deze reeksen, met nieuwe technieken, homogeniseren. Daarmee zullen ook de absolute Tn (minimumtemperatuur) en Tx (maximumtemperatuur) records aangepast kunnen en moeten worden’. Aldus het verhaal van Theo Brandsma en Rob Sluijter, verschenen in december 2015 in Meteorologica.

Bronnen: MeteoGroup, KNMI, Meteorologica.