Komen hittegolven veel vaker voor dan vroeger?

Is de kans op een hittegolf tien keer zo groot geworden in vergelijk met ruim een eeuw geleden?

De zomerstorm van afgelopen zaterdag, luidde een koele en sterke wisselvallige week in. De afgelopen paar dagen lag de gemiddelde etmaaltemperatuur in De Bilt iets meer dan vijf volle graden onder het langjarige gemiddelde dat geldt voor 29 en 30 juli en dat is in de hoogzomer een erg forse afwijking naar beneden. Men zou daarbij bijna vergeten dat deze julimaand begon met een hittegolf! Niet geheel toevallig publiceerde het KNMI op 3 juli, midden in deze hittegolf, een bericht dat hittegolven vanwege een klimaatverandering, tegenwoordig veel vaker voorkomen dan vroeger. Dit bericht heeft in de media voor veel verwarring gezorgd. Wij laten ons licht daar ook eens over schijnen.

De 40e hittegolf

De officiële definitie van een hittegolf luidt: “Er is sprake van een landelijke hittegolf indien in De Bilt in een aaneengesloten reeks van vijf of méér zomerse dagen met een maximumtemperatuur van 25,0 graden of hoger, er tenminste drie tropische dagen voorkomen met een maximumtemperatuur van 30,0 graden of hoger.”
In de 6-daagse periode van 29 juni tot en met 5 juli, lagen de maximumtemperaturen in De Bilt op 27,3; 33,1; 33,1; 29,1; 32,7 en 28,2 graden, en daarmee was de 40e officiële hittegolf sinds 1901, een feit. Deze zes dagen leverden een warmtegetal op van 33,9 punten en daarmee is deze periode in het legertje hittegolven een middenmotertje. Gerangschikt naar warmteproductie, komt hij daarmee namelijk op de 24e plaats.

Grillige verdeling hittegolven

Die veertig hittegolven zijn alles behalve regelmatig over de tijd verspreid. Sommige zomers hebben meer dan één hittegolf opgeleverd (de topzomer van 1947 had er zelfs vier!), maar er verstrijken genoeg zomers zonder een hittegolf. Recent moesten we na 2006 zeven zomers geduld hebben, alvorens de zomer van 2013 er weer eentje opleverde, maar nog veel opvallender is het dat ook de zomers van 1951 tot en met 1974 (24 zomers op rij!) óók geen enkele hittegolf opleverde! De zomers van 1901 tot en met 1910 bleven eveneens verschoond van een hittegolf.

Het KNMI nieuwsbericht
 
Met een dergelijke grillige verdeling, is het lastig om verantwoorde statistische uitspraken te doen, maar toch heeft een internationale groep klimaatwetenschappers, onder andere van het KNMI, een poging gewaagd. Zij hebben onder andere de klimaatgegevens van De Bilt, Madrid en Zurich gebruikt, om te zien hoe vaak een hittegolf voorkomt. Probleem daarbij is dat als we bijvoorbeeld het (zomer)klimaat van Madrid met dat van De Bilt vergelijken, we natuurlijk appels met peren vergelijken. Volgens de Nederlandse maatstaven is de zomer in Madrid gewoonlijk één aanhoudende, lange hittegolf. De onderzoekers hebben daarom de definitie van een hittegolf aangepast en gekeken naar de gemiddelde maximumtemperatuur over drie dagen, maar ook dan gaat die vergelijking mank. Zo ligt de gemiddelde maximumtemperatuur in Madrid in de drie zomermaanden op respectievelijk 28, 32 en 32 graden, en zelfs in september nog op 27 graden. In de inleiding van het nieuwsbericht van het KNMI wordt gesteld dat ‘in de afgelopen eeuw is de kans op een hittegolf in de meeste gebieden verdubbeld, in sommige steden zelfs verviervoudigd’. Elders in het artikel wordt meer specifiek voor De Bilt gesteld, en opnieuw citeren wij: ‘daaruit bleek dat voor De Bilt de huidige hitteperiode rond 1900 ongeveer eens per 30 jaar voorkwam. Tegenwoordig is de kans daarop eens per 3 jaar.’

Begrijpelijke verwarring

Het valt de journalisten – die uiteraard de krenten uit de pap lichten – niet euvel te duiden dat ze hiervan het volgende maakten: ‘kans op een hittegolf tegenwoordig tienmaal zo groot!’ Het is echter ook zo dat er een bewering is die luidt: ‘je hebt leugens, je hebt grove leugens en je hebt statistiek’. Puur kijkend naar de nuchtere cijfers van De Bilt, lijkt het erop dat de onderzoekers maar al te graag het vóórkomen van hittegolven aan de huidige opwarming wilden koppelen, ook al laten diezelfde cijfers zien dat hittegolven sinds het begin van de vorige eeuw simpelweg te grillig zijn voorgekomen om hiertussen een één op één verband aan te tonen.

De harde feiten?
 
Het aantal hittegolven zegt op zich niet zoveel, het gaat ook om de duur. Als we de officiële definitie aanhouden en voor ieder tijdvak van tien jaar tellen hoeveel dágen onderdeel waren van een hittegolf, dan vinden we drie tienjaarlijkse tijdvakken, namelijk 1901-1910; 1951-1960 en 1961-1970 zonder hittegolf, en dus met nul ‘hittegolfdagen’. Maar… het tijdvak van 1941-1950 telde maar liefst 101 hittegolfdagen. Het tijdvak 2001-2010 komt op de tweede plaats met 59 hittegolfdagen. De tijdvakken 1911-1920 en 1991-2000 scoorden 36 hittegolfdagen en het tijdvak 1971-1980 35 van zulke dagen.
Als we ons vergrootglas niet precies op de jaren rond 1900 leggen, maar iets algemener op het begin van de 20e eeuw, dan zien we dat het 30-jarige tijdvak 1901-1930 in totaal 63 hittegolfdagen telde. Het tijdvak 1911-1940 had er 91 en het tijdvak 1921-1950, zelfs 157! Daarna deed de lange hittegolfloze periode van 24 jaren op rij zich gelden, waardoor dit getal sterk daalde, om in het tijdvak 1951-1980 een dieptepunt van 35 dagen te bereiken. Daarna werd de weg omhoog wederom ingezet, uitmondend in 121 hittegolfdagen in de periode 1981-2010.
Ten opzichte van de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw is er dus inderdaad sprake van een spectaculaire stijging en natuurlijk is dat op het conto van een klimaatschommeling te schrijven. Maar, de algehele opwarming kan daar niet de oorzaak van zijn. Tussen 1910 en 1950 traden er ook veel hittegolfdagen op en belandde de norm zelfs boven het huidige gemiddelde. Sterker nog, dat gemiddelde zou tegenwoordig zelfs weer kunnen dalen, want de laatste negen zomers hebben slechts dertien hittegolfdagen opgeleverd, waarvan dus zes in de huidige zomer. Met de bewering dat de kans op een hittegolf tegenwoordig tien maal zo groot is voor De Bilt dan een dikke honderd jaar geleden, wekken de onderzoekers op zijn minst een misleidende suggestie, maar…

Toch een punt

… Natuurlijk hebben de klimaatonderzoekers toch wel een punt. Het is uiteraard duidelijk dat met een langzame, gestage opwarming (waar eigenlijk vrijwel niemand meer aan twijfelt dat die aan de gang is), de kans op zomerse en tropische dagen ook geleidelijk zal toenemen. Welke definitie je voor een hittegolf dan ook gebruikt, volgens die definitie zal het aantal hittegolven en ook hun duur, hierdoor een toename laten zien. Uiteraard kan een klimaatschommeling tijdelijk een spaak in het wiel steken, maar meer dan dat ook niet.
Iets wat ook in de KNMI publicatie wordt aangestipt, is dat de maximumtemperaturen steeds hoger is, maar dat de rol van de toenemende urbanisatie daar maar gedeeltelijk een verklaring voor is. Als we botweg kijken naar de hoogste maximumtemperatuur van ieder jaar in De Bilt sinds 1901, en we leggen de grens hoger, bij 32,0 graden, dan zien we dat tot de jaren ’40 van de vorige eeuw in een willekeurig jaar deze temperatuur vaker niet dan wel werd overschreden (in 17 jaren wél, in 23 jaren níet). Na de opleving in de jaren ’40 en de inzinking daarna, zien we aan het eind van de vorige eeuw hetzelfde beeld: van 1981 tot en met 2000, 8 keer wél en 12 keer níet. Maar deze eeuw gaat het hard… van de 15 jaren tot dusver, werd in slechts drie jaren (namelijk 2001, 2007 en 2008) in De Bilt de 32,0 graden op geen enkele dag bereikt, in de overige dertien jaren dus wél. En hoewel er dus wellicht geen sprake is van een vertienvoudiging, lijkt het dus simpelweg een kwestie van tijd te zijn dat we wellicht méér, en ook langduriger hittegolven te verwerken zullen krijgen. En daarmee zijn we het achteraf, met de eindconclusie van dit onderzoek, dus toch wel redelijk eens.

Bronnen: MeteoGroup, KNMI, Mscha, klimaatinfo.nl, eigen archief.