Bosbrandgevaar in Europa

Door langdurige droogte en hitte neemt de kans op bosbranden in Europa toe. Vanuit de ruimte worden beginnende branden in de gaten gehouden...

  Het is al weken lang bloedheet en droog in Spanje en Portugal met temperaturen dagelijks boven de 40 graden. Ook in het elders in het midden, oosten en zuidoosten van Europa is het warm. Door droogte en hitte neemt de kans op bosbranden toe.

Satellietbeelden
Tot nu toe viel het relatief mee met het aantal bosbranden in Europa. Zeker in vergelijking met het rampjaar 2003, toen er door langdurige droogte en hitte vooral in Portugal zeer veel bosbranden ontstonden. Vorige week donderdag ontstond in het noorden van Spanje in de provincie Leon een grote brand, waarbij 2654 hectare natuur in vlammen op ging. De afgelopen dagen ontstonden grote bosbranden op het vasteland van Griekenland. In het zuiden in de provincie Lakonia ging 2331 hectare in vlammen op. Ook op de Griekse eilanden zijn bosbranden ontstaan. Al deze branden worden dagelijks waargenomen en gevolgd met behulp van de Moderate Resolution Imaging Spectroradiometer (MODIS) op de Amerikaanse satellieten Terra en Aqua. Op het beeld van gisteren, in ware kleuren, zijn rookpluimen te zien die van het eiland Karpathos afwaaien in zuidoostelijke richting. Dat betekent dat de winden, die de branden aanwakkeren, uit het noordwesten komen.

Preventie
Satellietbeelden zijn van groot belang voor het observeren van rook en bosbranden. Maar satellietbeelden kunnen ook droogte in beeld brengen. Tezamen met actuele waarnemingen worden dagelijks kaarten gemaakt om het risico op bosbranden in beeld te brengen. Deze kaarten staan op de site van van Effis, The European Forest Fire Information System en zijn bedoeld om bosbranden in Europa te voorkomen. Op de droogtekaart kun je zien dat het vooral in het zuiden van Spanje en Portugal erg droog is. Ook in Frankrijk, Italië, delen van Duitsland, Hongarije, Griekenland en Turkije zijn droog. Op de Fire Weather Index (FWI) kaart (een combinatie kaart waarin parameters zoals droogte, temperaturen en weer de kans op bosbranden bepalen) is de kans op bosbranden op dit moment extreem groot in het binnenland van Spanje, in het zuiden van Frankrijk, in Italië, op de Balkan, in Griekenland, op Cyprus en vooral in Turkije.

Vuurdriehoek
Bosbranden doen zich voor als aan drie vereisten is voldaan, de zogeheten vuurdriehoek; dezelfde voorwaarden gelden overigens ook voor andere branden. Allereerst moet er voldoende brandstof zijn. Daarnaast is er zuurstof nodig. Tenslotte moet de temperatuur hoog genoeg zijn om ontbranding te doen plaatsvinden.
Het weer speelt bij het vervullen van elk van deze voorwaarden een belangrijke rol. Een bos bevat natuurlijk altijd voldoende hout, maar dat moet wel droog genoeg zijn om te kunnen branden. Droog hout, met hooguit 1 of 2 gewichtsprocent water, ontbrandt bijna net zo gemakkelijk als benzine; nat hout met 15-20 % vocht wil nauwelijks branden. Dat komt doordat hout ontvlamt bij 390 graden, een temperatuur die veel hoger ligt dan het kookpunt van water. Daardoor moet eerst alle water verdampt zijn, voor de ontbrandingstemperatuur kan worden bereikt. Vandaar dat tijdens een langdurige droogteperiode de kans op bosbranden in de loop van de tijd toeneemt. Hoe hoger de temperatuur en hoe lager de vochtigheid van de lucht, des te sneller vindt de uitdroging van het bos plaats. De fijne brandstoffen, zoals grassen, blad, naalden en kleine takjes drogen al in enkele uren, maar bij het grovere hout duurt dit dagen of zelfs weken. De kans op een bosbrand hangt daardoor mede af van het weer twee weken terug. Ook bij het vervullen van de tweede voorwaarde, voldoende zuurstof, is het weer belangrijk. De lucht die de zuurstof bevat, wordt namelijk aangevoerd door de wind; hoe harder het waait, des te meer zuurstof komt er beschikbaar. De wind kan ook een rol spelen om aan de derde voorwaarde te voldoen: hij voert soms vonken of andere brandende materialen van een gewone brand, een barbecue of een kampvuur mee naar plaatsen waar een bosbrand kan ontstaan. Een bos kan door blikseminslag eveneens in brand raken; in Noord-Amerika is dat de oorzaak van 40% van alle bosbranden.

Wind
De wind is meer dan alleen leverancier van zuurstof; hij helpt bij het drogen van de brandstof en speelt een belangrijke rol bij de uitbreiding van het vuur. Zo voert hij de hete lucht van de plaats waar de brand woedt naar het gebied waarheen de brand zich gaat uitbreiden. Verder doet de wind de vlammen naar voren overhellen, zodat ook de warmtestraling van de vlammen voorwerk kan verrichten voor een uitbreiding van de brand. Dit stralingseffect wordt nog versterkt op berghellingen, waartegen een bosbrand dan ook razendsnel kan opkruipen. Tenslotte voert de wind soms vonken en lichte, brandende materialen uit het brandende bos naar plaatsen waar nog geen brand is uitgebroken. De wind beïnvloedt de intensiteit van de brand, bepaalt in welke richting het vuur zich uitbreidt en speelt ook een rol bij hoe snel dat zal gebeuren; de snelheid waarmee een vuur zich uitbreidt kan uiteenlopen van bijna nul tot ruim 6,5 m/s. Daardoor is het, ook al voor de veiligheid van de brandbestrijders, van het grootste belang de wind en de veranderingen daarin precies te kennen en te voorspellen. Daarbij moet met allerlei meteorologische factoren rekening worden gehouden. Zo werken veranderingen in het grootschalige luchtdrukpatroon door in veranderingen in de wind. Bij frontpassages kan de wind bovendien aanwakkeren, vlageriger worden en vrij plotseling van richting veranderen. Ook buien gaan vaak vergezeld van een vlagerige, sterk veranderlijke wind, zelfs op plaatsen waar geen regen valt. Daarnaast doen bosbranden zich vaak voor in gebieden met lokale winden. Zo treden ze veelal op in de buurt van de kust; dat was in 2003 bijvoorbeeld het geval in Zuid Frankrijk, Portugal en Australië. Bij het invallen van de zeewind verandert de wind plotseling van richting. Berggebieden kennen hun eigen windcirculaties, zoals de föhn, een soms dagenlang stevig doorstaande warme en droge wind achter grote bergketens. Verder waaien hellingwinden overdag langs de door de zon verhitte berghellingen omhoog en kunnen zo bosbranden eveneens een flinke impuls geven. 

Opbouw van de atmosfeer
Tevens is de temperatuuropbouw van de atmosfeer van belang. In een stabiele atmosfeer zijn de branden minder hevig dan in een onstabiele. Dat komt doordat in een stabiele atmosfeer stijgende luchtbewegingen worden tegengewerkt. Daardoor neemt het lucht aanzuigend, ventilerend vermogen van het vuur af. Vaak verandert het temperatuurprofiel van de atmosfeer in de loop van de ochtend van stabiel naar onstabiel; op dat moment trekt de wind aan en neemt de relatieve vochtigheid af. Bovendien loopt de temperatuur naarmate de dag voortschrijdt, verder op, zodat het vuur overdag aanwakkert. In de avond en nacht vindt een overgang van onstabiel naar stabiel plaats, waarbij de wind weer afneemt en het vuur minder kansen krijgt. Doordat in de loop van de nacht ook de temperatuur daalt en de vochtigheid toeneemt, is de kans om een vuur onder controle te krijgen in de vroege ochtend het grootst. De bosbranden tonen dus niet alleen een jaarlijkse gang, met de meeste branden in het zomerseizoen, maar ook een dagelijkse gang. Om het vuur te doven moet ten minste een van de elementen van de vuurdriehoek onschadelijk worden gemaakt: de brandstof moet opraken, de zuurstoftoevoer stagneert of de temperatuur zakt onder de ontbrandingstemperatuur, bijvoorbeeld door bluswater.

Bronnen: MeteoGroup, Kees Floor, Modis, Effis