Van Aberdeen naar Fair Isle en Mousa

Op een expeditieschip naar het Noordpoolgebied. Weerman Reinout van den Born doet verslag.

Met 165 mensen op een expeditieschip naar het Noordpoolgebied. Eén van onze meteorologen, Reinout van den Born, vaart deze weken aan boord van de Ortelius mee naar Spitsbergen en doet van waar hij kan verslag. De eerste landing brengt de groep naar Aberdeen en omgeving.

‘And that building is realy awful, it’s disgusting!’ Onze gids Bill (36 jaar lang hoofd van een school voor kunst en design) laat er tijdens de busrit naar het eerste natuurgebied dat we deze dag zullen bezoeken, geen misverstand over bestaan. Met vele in Aberdeen gemaakte keuzes is hij het duidelijk niet eens. Bill is een trotse Schot. Hij heeft de afgelopen dagen al vaker het woord gevoerd, getooid in afwisselend Schotse kilt en Schotse broek. Een trotse Schot, maar tegen losmaken van Schotland het Verenigd Koninkrijk. Al was het maar om de kans te houden de Engelsen te laten zien ‘hoe ongelooflijk goed de Schotten zijn’.

Hilarische tocht 
Het wordt een hilarische tocht door Aberdeen. We passeren lelijke gebouwen, nutteloze winkelstraten en prachtige parken. Hij verhaalt over de offshore industrie die zijn stad in de greep heeft, over trotse Schotten die het grote geld van projectontwikkelaars weigeren om te kunnen blijven doen wat ze altijd doen. Het verhaal over bewoners die de ontwikkeling van een golfterrein aan de kust door de Amerikaanse miljardair Donald Trump willen tegenhouden door hun percelen niet te verkopen, gaat er in als koek. Later op de dag laat hij de buschauffeur het terrein opdraaien om te laten zien hoe Trump reageerde. Volgens Bill liet hij bomen planten voor de huizen van de mensen die niet wilden verkopen, zodat ze voortaan de zee niet meer zouden kunnen zien.

De eerste stop van de dag is een gebied aan de kust, met steile klippen die om de zoveel tijd diepe inhammen vertonen. Op de rotsen nestelen drieteenmeeuwen (kittywake… kittywake…), zeekoeten, alken en kuifaalscholvers. Ik ken het terrein. Twee jaar eerder ben ik tijdens een vogelreis een stukje zuidelijker in Schotland in vergelijkbare gebieden geweest. We zagen toen precies hetzelfde. De bloeiende gaspeldoorn met geelgors en fitis, en de eerdergenoemde zeevogels. We genieten van het uitzicht en het voor Schotse begrippen goede weer. Twee deelnemers halen halsbrekende toeren uit op een wel heel eng paadje en worden door Bill luidkeels terechtgewezen.

Estuarium 
Na ongeveer twee is het terug de bus in. De wind steekt op. We liggen aan de zuidkant van een warmtefront en in de lucht zijn de prachtigste lenticulariswolken zichtbaar, af en toe zelfs gestapeld. De meeste mensen kijken wel even omhoog, ook al komen ze voor iets anders. We gaan naar een andere plek, een estuarium in een indrukwekkend duinlandschap. Als we er naartoe lopen, en we onze lunch tevoorschijn hebben gehaald, komen vier kokmeeuwen wel heel dichtbij. Ze hebben duidelijk zin in het broodje, mijn reisgenote voert zelfs een goed gesprek met ze. Ik ben bang dat ze op mijn hoofd gaan zitten, maar van alle kanten wordt me bezworen dat kokmeeuwen dit nooit doen. Aarzelend ga ik akkoord en ben blij dat de anderen gelijk blijken te hebben.

De velden bloeiende gaspeldoorn zijn hier bijna oogverblindend geel. Vele kleine vogelsoorten vinden er een veilig heenkomen in. In de rivier, die hier in zee uitmondt, staan een paar mannen tot aan hun middel in het water te vissen. Op de oevers zien we eidereenden, een koningseider en een bontbekplevier, boven het water zijn grote sternen druk in de weer. We komen voor de kolonie van tweeduizend grijze zeehonden, helemaal aan het einde van de riviermonding op de grens met de zee. In het water kijken de eerste nieuwsgierige koppies van de zeehonden ons al snel aan. Een stukje verderop ligt de grote groep en duikelen de dieren vrijwel letterlijk over elkaar heen. Zelfs in de harde wind is het gehuil van de zeehonden voor iedereen duidelijk hoorbaar. We genieten er enorm van in een indrukwekkend landschap. Komt eerst de zon er eerst nog af en toe door, later worden de wolken dikker. En het zal niet lang meer duren of we zullen ook de Schotse regen nog kunnen gaan meemaken.

Tuimelaars
 
Dat gebeurt als we weer in de bus terug naar Aberdeen zitten. Na de rondrit over Trumps terrein en nog een toertje over de boulevard komt het schip weer in zicht. Na nog wat formele plichtplegingen moeten we snel aan boord, maar binnen een paar minuten vetrekken we. We varen nog maar goed en wel als een groep tuimelaars, aan de voorkant van het schip, ons leven komt veraangenamen. Snel na de centrale oproep rent iedereen naar het voordek en bijna allemaal kunnen we de dolfijnen vrolijk zien springen. Het is een flinke groep die zich langzaam in de richting van de haven verplaatst. Wij gaan de haven uit, de zee op. Het is flink gaan regenen en de wind waait stevig uit het zuidwesten. Al snel merken we ook dat het schip meer beweegt dan voorgaande dagen.

In de nacht voel ik voor het eerst iets van zeeziekte, al ben ik er nog niet helemaal zeker van of het dat echt wel was. De hut beweegt in elk geval aardig. En als we de volgende dag Fair Isle naderen, spreekt ook de bemanning van een ‘flinke deining’, opgewekt door een straffe noordwestenwind Het is 8 graden buiten de boot en er vallen kleine buitjes, die tussendoor steeds me ruimte voor de zon laten. Het zicht is opnieuw maximaal; het belooft een prachtige dag te worden.

Zodiacs 
We gaan voor het eerst een landing met de Zodiacs uitvoeren. Na het ontbijt volgt dan ook een verplichte briefing waarin wordt verteld hoe dat allemaal in zijn werk gaat. En daarna is het voor het eerst op een wiebelige trap van boord richting de zodiac. Omdat de deining te hoog is, moet het schip beschutting zoeken en wordt de landing op een andere dan de geplande plaats uitgevoerd. Het is een zogenoemde natte landing, waarbij de zodiacs het strand opvaren en je het laatste stukje zelf door het water moet lopen. Bij onze boot verloopt het allemaal vlekkeloos. We staan zo aan land.

Fair Isle is een klein eiland en maakt deel uit van de Shetland eilanden. Het is 4,5 kilometer lag en 1,5 kilometer breed. De noordkant is heuvelachtig met een top van 217 meter, de zuidkant is bedekt met gras en daar bevindt zich het kleine dorpje, dat het eiland rijk is. Overal lopen schapen. Het is zo’n eiland waar je eigenlijk nooit komt en waarvan je je nauwelijks beseft dat je er bent. Ik heb gedurende de dag tenminste steeds moeite om het allemaal tot me door te laten dringen.

Zompig 
Wij besluiten het heuvelachtige noorden van het eiland te verkennen en volgen het kleine weggetje dat daar naartoe leidt. Door de vele regen van de laatste dagen (volgens de bewoners heeft het drie dagen achtereen geregend) is het land zompig. Overal komt water vandaan stromen. Opvallendste bewoner van de deze dag vaak blauwe lucht is de grote jager, een indrukwekkende vogel op het snijvlak van roofvogel en meeuw. Naarmate we hoger komen, zien we er steeds meer.

Na ruim een uur lopen, besluiten we de weg te verlaten om door het land ernaast een poging te doen de top te bereiken. We lopen langs een beekje, een van de vele die door de regen van de laatste tijd zijn ontstaan. Korte tijd later bereiken we een meertje, dat hoog boven zee ligt. Het ziet er wonderlijk en indrukwekkend uit. Op een van de oevers loopt een bonte strandloper. Dichterbij de top lopen we dwars door een kolonie grote jagers heen. De indrukwekkende vogels stellen onze aanwezigheid duidelijk niet op prijs en vliegen dreigend om ons heen. Het maakt op mij een nogal imponerende indruk, mijn reisgenote praat met ze en zet de route uit. Grote jagers kunnen je aanvallen als je te dichtbij hun nesten komt, maar bij ons gebeurt gelukkig niks.

Oude mijn
 
Bijna op de top komen we een zendmast tegen. Daarna gaat het langs een oud, niet meer in gebruik zijnd spoortje, in een rechte lijn naar de top. Het uitzicht is er fantastisch. We kunnen het hele eiland in één blik overzien, met de zee er omheen. Op zee de kleine buitjes, die af en toe ook over het eiland trekken, afgewisseld door grote stuken blauw. Het ziet er prachtig uit. We picknicken op de top, bij wat vroeger een kolenmijntje is geweest. Kolen vindt je er nog wel, maar het is al lange tijd buiten gebruik. De installaties liggen er tenminste kapotgeslagen bij. Het is een zooi op de top.

We lopen langzaam weer omlaag, met uitzicht op de vlakte onder ons, waar in de ijstijd een gletsjer moet hebben gelegen. Onderweg komen we nog een sneeuwgors tegen, als voorloper op wat we later deze reis op Spitsbergen gaan zien. Na een bezoekje aan de papegaaiduikers, op de klippen aan de andere kant van het kleine haventje, gaat het in de zodiacs via een paar rotspoorten in één van de wanden van het eiland weer terug naar de boot. Het is inmiddels prachtig weer geworden.

In de avond staat, na een korte vaartocht, ook nog een landing op het eilandje Mousa op het programma. Daar is een tweeduizend jaar oude verdedigingstoren, helemaal gestapeld van steen, waarin een kolonie kleine stormvogels woont – en wel in de spleetjes tussen de stenen. We wachten totdat de vogeltjes terugkomen van de jacht op visjes, overdag ver weg op ze. Het moet dan bijna donker zijn, en dat is het al laat in deze noordelijke streken. Het resultaat is niettemin spectaculair: in het vrijwel donker schieten ze als vleermuizen de torenmuur in. De combinatie van de bijzondere locatie, de geheimzinnige gebeurtenis en het bijna donker, geven het geheel een bijna mystieke sfeer. Pas na middernacht gaan we met zijn allen weer aan boort, voor de langste vaartocht van deze reis (van ruim twee dagen), helemaal naar het eiland Jan Mayen. En dan komen we eindelijk in het noordpoolgebied terecht, waarom het allemaal uiteindelijk toch is begonnen.

Reinout van den Born.

Bronnen: MeteoGroup, Vogelbescherming Nederland, Inezia Tours