Op een dorre steppe zoeken naar de grote trap

Het is heet, en droog en dor. En er schijnt een felle zon. We zoeken in Extremadura de grote trap.

‘Wacht eens’, roept mijn vriendin, naast me. ‘Misschien zie ik ze toch..!’ Midden op de verlaten weg zetten we de auto stil en rijden iets naar achteren terug. Twee verrekijkers richten zich door het geopende autoraam op het net gemaaide korenveld, naast ons. En ja hoor, daar zijn in het veld eindelijk de silhouetten van twee grote trappen zichtbaar, twee grote kalkoenachtige vogels die alleen in het Spaanse Extremadura voorkomen en waarnaar je enorm moet zoeken.

Extremadura betekent extreem zwaar. Het is niet voor niets dat de deelstaat in het zuidwesten van Spanje deze naam heeft gekregen. Het land is er onvruchtbaar en ontoegankelijk. Een groot deel van het jaar zinderen de uitgestrekte steppes en de siërra’s die ze doorklieven er in een onbarmhartig brandende zon. Gedurende de wintermaanden staat er niet zelden een harde wind die door striemende regen wordt vergezeld. Je kunt er niet veel en de Spanjaarden weten dat.

Steden met een klinkende naam
Toch zijn er die nergens anders dan in Extremadura willen wonen. Steden als Cáceres, Merida en Badajoz hebben ook in Spanje een klinkende naam. Omdat ze al zo lang bewoond zijn en er zoveel historie te vinden is. En, nu de mens het ook in Extremadura van het weerbarstige land heeft gewonnen, vinden ook de Spanjaarden het prachtig om over die lange, onafzienbare en vaak stille wegen over de eindeloze steppes te dwalen, waar je je op zo’n bijzondere manier klein voelt.

We zijn voor onze vakantie twee septemberweken in het stadje Guadalupe neergestreken, het op één na belangrijkste bedevaartsoord van Spanje. Dat is ook wel te zien, want waar je in de omgeving van Guadalupe ook rijdt, je komt altijd pelgrims tegen die in hun opvallende, reflecterende hesjes aan de kant van de weg richting het stadje lopen. De zomer heeft zijn sporen in de toch al niet erg toegankelijke natuur nagelaten. Er is maandenlang vrijwel geen regen gevallen, het gras is dor, bomen laten hun verdroogde bladeren vallen en rivierbeddingen zijn meestal droog.

Dehesa
Daar waar bomen staan, en daarvoor moet je meestal in de bergen zijn, ziet het landschap er nog een beetje groen uit, maar de uitgestrekte steppes, die een groot deel van Extremadura beslaan, laten een ander beeld zien. Hier is het dor, stoffig en bruin. Van groen gras is nergens sprake meer en water kom je alleen nog in de meren achter stuwdammen tegen. Als je een beetje geluk hebt, staan er eiken, steeneiken of kurkeiken in het open land. Je krijgt dan het bijzondere landschap dat ze in Spanje dehesa noemen (zie de foto’s naast dit verhaal). Veel vaker is er niks en is het net of je over de uitgestrekte en golvende plains in de centrale delen van de Verenigde Staten rijdt.

Ook de vogels en dieren in het gebied hebben last van het ontbrekende water. Om te kunnen drinken, zoeken ze de poeletjes (vaak in verder droog staande rivierbeddingen) op waar nog wel water is. Allerlei soorten leeuweriken en tapuiten redden het wel op de steppe, evenals de spreeuw, de ekster en de mus. Op de dehesa regeert de bijzondere blauwe ekster.

Maar de ooievaars, waar Extremadura met op vrijwel iedere paal en toren een nest zo bekend door is, zijn nergens te bekennen. Boven de steppe is de lucht gevuld met imposante vale gieren en monniksgieren, op zoek naar de kadavers van dieren die de zomer niet hebben doorstaan. Een enkele keer duikt de kleinere, maar opvallend witte aasgier op. De zeldzame Spaanse keizerarend vliegt langs de bergtoppen en op een bepaald moment staan we oog in oog met een indrukwekkende steenarend die op een met stenen gestapeld muurtje een muis zit op te peuzelen.

De grote en de kleine trap
Het meest bijzonder zijn de grote trap en helemaal de kleine trap, die bijna niet wordt gezien. Grote trappen zijn enorme vogels die zo zwaar zijn dat ze slechts met moeite kunnen vliegen. Ze voelen zich thuis op de plek waar de meeste andere soorten afhaken; de steppes van Extremadura. Welke steppe je ook op rijdt, je passeert altijd een bord waarop de aanwezigheid van de trappen wordt aangekondigd. En als vanzelf ga je naar ze zoeken, al is dat zeker niet eenvoudig.

De eerste steppe die we doorklieven, die tussen de plaatsen Trujillo en Cáceres, heeft een oppervlakte van 200.000 hectare. Volgens de laatste tellingen wonen daar ongeveer 2000 grote trappen. Het is als zoeken naar een speld in een hooiberg. We vinden ze die dag ook niet. Wel voelen we ons een nietig onderdeel van een indrukwekkend, ontoegankelijk ecosysteem. Je kunt er vooral ver kijken en midden op de weg je auto stilzetten, omdat er bijna niemand is. En ook al is het al halverwege september, de hitte op de steppe steekt nog sterk. Wandelen is er niet bij.

Helemaal ongebruikt is het landschap overigens niet. We komen onderweg telkens weer grote kuddes schapen tegen die het met het beetje dorre gras dat er nog is moeten zien te redden.  Omdat dit niet helemaal lukt, zijn er ook plekken waar ze met hooi worden bijgevoerd. Door het gebrek aan schaduw maken de dieren een erg lome indruk in de nog altijd fel brandende zon.

La Serena
Omdat we op onze eerste steppetocht de grote trap niet vinden, besluiten naar de tweede steppe van Extremadura uit te wijken, verder naar het zuiden. Dit gebied, dat la Serena heet, is met 100.000 hectare wat minder uitgestrekt, maar er zitten ook minder trappen, slechts zo’n 500. Het is heet als we de steppe op gaan. De lucht zindert boven het dorre, golvende land. In de verte trekken een paar stofhozen voorbij, waarvan er één zich even flink ontwikkelt. Opnieuw zijn het de leeuweriken, de tapuiten en de gieren die de aandacht trekken. Een stukje dehesa, midden op de vlakte, laat meteen ook de blauwe eksters en eksters zien. Maar hoe we ook turen en ons best doen, de grote en de kleine trap blijven verborgen, in weerwil van alle borden met hun portret erop die we ook hier tegenkomen. We krijgen er hoofdpijn van, maar snappen wel dat ze zich niet willen laten zien. Want hoe kan een vogel zo groot als de trap in deze wildernis in hemelsnaam overleven?

We zetten de trappen uit ons hoofd en kiezen voor een bergwandeling, door een eucalyptusbos helemaal in het zuiden, op de grens met Andalusië. In de auto moeten we eerst een bergrug over, waarachter zich nog een steppe blijkt te bevinden, de Campanilla Sur, maar deze ziet er wat vriendelijker uit dan zijn voorgangers. Er is water dat via irrigatiekanalen wordt aangevoerd, delen van de vlakte zijn daardoor groen en eindelijk zien we ook een paar ooievaars. Omdat er water is, kan hier koren worden verbouwd en de velden zijn net gemaaid. Precies als we filosoferen over het voedsel dat er voor de grote trappen hier misschien wel is, ziet mijn vriendin er ook één in het veld naast ons. We rijden er in volle vaart voorbij, maar keren om en rijden terug. De grote trap is dan al vertrokken, maar zijn veel kleinere broertje, de kleine trap is er wel en die is nog veel bijzonderder. Hij zit vlak naast de weg en kijkt ons verbaasd aan als we ineens stoppen. Dan vliegt hij snel weg.

Donkere wolken
Het loopt tegen het einde van onze vakantie in Extremadura als we nog een keer la Serena op rijden. Donkere wolken pakken zich samen boven de steppe, de eerste onweersbuien van het herfstseizoen dienen zich aan. Ze brengen behalve regen in het totaal verdroogde land een overweldigende geur met zich mee, horend bij de wakker schrikkende natuur. Het waait hard en de steppe ziet er door het ontbreken van de zon heel anders uit. Nog een keer zoeken we naar de grote trap en eindelijk vinden hem. Met een maatje en middenin een net gemaaid korenveld. De cirkel is nu rond.

Bron: MeteoGroup.