We gaan weer naar de winter toe

Het is nazomerweerweer in Nederland, maar ook de aanloop naar de winter is begonnen.

De meeste mensen willen er natuurlijk nog niet aan denken, maar de meteorologische herfst is een interessante periode voor diegenen die naar de naderende winter uitkijken en een uitspraak proberen te doen over hoe die winter bij ons uiteindelijk zal gaan verlopen.

De laatste winter in Nederland was geen winter. Voor het eerst sinds het begin van de waarnemingen bleef het koudegetal (het Hellmanngetal) op nul. Met uitzondering van Groningen en delen van Friesland en Drenthe kwam het nergens tot winterweer van enige betekenis. In delen van Zeeland kwam de temperatuur zelfs ’s nachts niet onder nul.

Van slag
Het weer was maandenlang totaal van slag door een gemiddeld genomen recordlage luchtdruk in het zeegebied bij Schotland. Zuidelijke tot zuidwestelijke winden vierden daardoor hoogtij, vaak tot in het uiterste noorden van Scandinavië aan toe, en brachten hoge temperaturen en wisselvalligheid met zich mee. Op enkele korte fasen na, werd dit regime niet doorbroken. En zo groeide de winter van 2013/2014 in grote delen van Europa uit tot één van de zachtste winters ooit.

De vraag achteraf is dan altijd: was dit vooraf te voorzien? Al lange tijd worden ervaringen opgedaan met het doen van seizoensverwachtingen, ook hier bij MeteoGroup. Dit kan op allerlei manieren. Globaal zijn er twee stromingen: een digitale en een analoge.

De digitale stroming werkt met computermodellen en laat die ver in de tijd vooruit rekenen. Door al die kaarten na verloop van tijd over elkaar heen te leggen, ontdek je mogelijk een trend voor de lange termijn. Daarop kun je vervolgens een voorzichtige verwachting baseren.

De analoge stroming gaat op zoek naar vergelijkingsmateriaal uit het verleden. Zo kun je de drukpatronen nemen in de aanloop naar de winter en die vergelijken met periodes uit het verleden waarin de ontwikkelingen in de periode naar de winter toe leken op die van nu. Het vervolg van toen kan helpen bij het doen van uitspraken over het mogelijke vervolg van nu.

Allerlei factoren hebben invloed
Het weersysteem op aarde wordt door allerlei (niet constante) factoren beïnvloed. Elk van die factoren speelt zijn eigen rol. Als je nu die factoren eruit pikt waarvan je weet dat de invloed ervan op het totale weersysteem het sterkst en duurzaamst is, krijg je mogelijkerwijs ook informatie over het naderende seizoen. Voorbeelden van zulke invloedrijke factoren zijn de zon (die de aarde van zijn warmte voorziet), de zeeën (die met hun water rond 70 procent van de totale aardoppervlakte beslaan en zowel energie afstaan aan de atmosfeer als energie ervan opnemen), het zeeijs (in het Noordpoolgebied) en de winterse sneeuwbedekking van het vasteland. Veranderingen in elk van die factoren kunnen gevolgen hebben voor het weersysteem als geheel. Hoe beter je een dergelijk patroon begrijpt, hoe makkelijker het wellicht wordt om verder vooruit te kijken.

Seizoensverwachtingen hebben voornamelijk bij winters (een klein beetje) aantoonbaar succes. De reden hiervoor is dat vooral in het winterhalfjaar grootschalige stromingen dominant zijn in het weer, en dan in het bijzonder natuurlijk de straalstroom (de band met hoge windsnelheden op 10 kilometer hoogte in de atmosfeer die bepaalt waar hoge- en lagedrukgebieden terechtkomen). De zon staat ’s winters laag en heeft maandenlang relatief weinig invloed op het weer.

Zomer is lastiger
In de zomer is die situatie anders. Omdat de temperatuurverschillen tussen het Noordpoolgebied en de gebieden rond de evenaar veel kleiner zijn dan in de winter, is de straalstroom minder sterk en ligt ook duidelijk noordelijker. Tegelijk staat de zon hoog aan de hemel en is dan met zijn warmte wel een factor van belang. Nu is het niet alleen de straalstroom meer die bepaalt waar hoge- en lagedrukgebieden terechtkomen, maar doet ook de zon een duit in het zakje. Op die manier is te begrijpen waarom het systeem in de winter ‘stabieler’ (en daardoor wellicht iets beter te verwachten) is dan in de zomer, als het systeem zich grilliger gedraagt (en lastiger te verwachten is).

Welke factor doet wat?
Als we zon, water, ijs en sneeuw apart bekijken als factoren die van invloed kunnen zijn op het weersysteem, da is het bij elk van deze factoren duidelijk dat hun invloed van jaar tot jaar varieert. Zo gaat de zon door maxima en minima in activiteit heen. In die cyclus zijn we nu het laatste maximum voorbij, wat betekent dat de zon de komende tijd langzaam minder actief wordt. Daarmee verandert ook de invloed ervan op het weersysteem. In samenhang met een eens in de tijd van richting veranderende luchtstroom, hoog boven de evenaar, kan op basis hiervan een uitspraak worden gedaan over de mogelijke kracht van de straalstroom gedurende de winter.

Het water van de zeeën varieert van jaar tot jaar in temperatuur en daarmee veranderen ook de hoeveelheden energie die erdoor aan de lucht worden afgegeven of ervan worden opgenomen, afhankelijk van het jaargetijde. Zeegebieden die op deze manier op het weer bij ons invloed kunnen uitoefenen, liggen verspreid over de aardbol. We letten onder meer op het al dan niet optreden van een El Niño in het zeegebied langs de evenaar tussen Peru en Indonesië. Verder spelen de verdelingen van de zeewatertemperaturen op het noordelijke deel van de Grote Oceaan (de PDO-index) en die op het noordelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan (de AMO-index) een rol.

IJs en sneeuw
De zeeijsbedekking van het Noordpoolgebied is door het jaar heen eveneens aan sterke schommelingen onderhevig, waarbij het voor de luchttemperaturen heel wat uitmaakt of die boven ijs of boven open water worden waargenomen. Een gebied van aandacht lijkt wat dit betreft de Barentszzee. Al langer wordt vermoed dat de ijsbedekking hiervan tijdens de herfst en de winter invloed heeft op de stromingspatronen zoals we die in de winter tegenkomen. En die stromingspatronen zijn weer belang voor het weerbeeld zoals we dat in de winter hebben.

En dan hebben we nog de sneeuw. Hier lijkt het tempo waarin Siberië gedurende de oktobermaand onder een sneeuwlaag komt te liggen direct samen te hangen met de kracht van de straalstroom in de winter die volgt. Gaat het dichtsneeuwen snel, dan komt het in de winters erop vaker tot geblokkeerde drukverdelingen, omdat de straalstroom niet goed op stoom komt. Gaat het dichtsneeuwen langzaam, dan volgt vaker een winter met sterkere westcirculaties, omdat er dan juist wel gemakkelijk snelheid in de straalstroom lijkt te komen. De index die voor dit alles een maat is, wordt de Snow Advance Index genoemd en deze wordt aan het einde van oktober bepaald.

Alles op een hoop
Gooien we nu alles op een hoop, dan is het idee dat je, door al deze factoren en de mogelijke invloed ervan op het weer tijdens de naderende winter te wegen, ergens in november een uitspraak zou kunnen proberen te doen over het luchtdrukpatroon dat je gedurende de wintermaanden vooral verwacht. Daar komen verwachtingen van de overheersende waarden voor de AO-index en NAO-index in de winter uit, die aangeven waar de hoge- en lagedrukgebieden liggen. De AO-index wordt negatief als de luchtdruk boven de Noordpool in de winter hoog is (wat meehelpt bij het van positie laten veranderen van de straalstroom). Een lage luchtdruk levert een positieve index op (en een relatief sterke straalstroom). De NAO-index kijkt naar het verschil in luchtdruk tussen IJsland en de Azoren. Hoge druk in het noorden en lage druk in het zuiden leveren een negatieve NAO-index op (met grotere kansen op winterweer), de omgekeerde situatie resulteert in een positieve NAO-index en wijst vaak op een sterke straalstroom met zacht en wisselvallig winterweer bij ons.

Op basis van dit alles kun je dan proberen om trendmatig een uitspraak doen over het karakter van de winter die volgt. Op deze manier kwam er vorig jaar bij ons de uitspraak uit dat de winter van 2013/2014 zacht en wisselvallig moest worden, wat uiteindelijk ook is gebeurd. En wat gebeurt er dan de komende winter? We weten het nog niet. De meteorologische herfst is maar net begonnen en er moet nog veel gebeuren. Maar we kunnen het nu wel alvast weer allemaal gaan volgen.

Bron: MeteoGroup.