Winterkou op loopafstand

We blikken terug naar de mini-vorstperiode in NO-Nederland. Hoeveel kou heeft deze opgeleverd?

 

Hoewel ons land maar klein is, komt het wel vaker voor dat er desondanks grote temperatuurverschillen zijn te constateren. Geregeld voltrekken deze zich tamelijk onopgemerkt, maar als die verschillen zich juist rond het vriespunt afspelen en deze verschillen zich ook nog een binnen een afstand van hemelsbreed hooguit 20 km voltrekken, dan is dat meer bijzonder. Zonder overdrijving kan de situatie van afgelopen weekend als zeer uitzonderlijk worden bestempeld. We geven daarom een korte terugblik, waarbij we alles op een rijtje zetten.

Waarom was het weekend bijzonder?

Zoals gezegd, grote temperatuurverschillen zien we wel vaker in het land. Dat komt ook puur door de ligging van de stations. In een rustige nacht met stralingsvorst zal het op de meetpost Vlissingen, aan het water van de Westerschelde, veel zachter blijven dan bijvoorbeeld op de meetpost Deelen, op de Veluwe.
Meer bijzonder is als die temperatuurverschillen zich over korte afstand voltrekken. In het voorjaar, en mei is daarvoor een favoriete maand, wil het soms voorkomen dat het in een groot deel van het land zonnig en warm is, terwijl langs de stranden van de westkust de beruchte zeevlam binnentrekt en het daar ronduit kil wordt. Het is wel eens voorgekomen dat het in Zandvoort mistig en 11 graden was, en tegelijkertijd in Haarlem zonnig en 24 graden!
Ook in de winter kunnen grote verschillen optreden, vooral bij invallende vorst, of omgekeerd, als de dooi oprukt. Voor wat betreft dat eerste, kunnen 29 en 30 december 1978 legendarisch worden genoemd; volgens meerdere winterliefhebbers was dat de spectaculairste vorstinval van de 20e eeuw! Maar in dat geval verplaatst die lijn tussen vorst en dooi zich in de loop van een etmaal een flink stuk. Het bijzondere van het afgelopen weekend was dat de vorstgrens in dit geval lange tijd slechts een zeer geringe verplaatsing doormaakte. De temperatuurverschillen konden zich in de loop van zondag 26 januari, alleen maar verder verscherpen.

De oorzaak?

Een groot deel van januari verliep de winter zeer zacht in Europa, ook in het noorden en oosten, maar halverwege de maand ging de luchtdruk boven Scandinavië stijgen en dit hogedrukgebied bracht de winter in Noord- en Oost-Europa. Die koude vrieslucht stroomde ook verder naar het zuiden en westen uit, maar depressies op de oceaan konden niet meehelpen die kou naar West-Europa te transporteren. Ze bleven namelijk gemiddeld ten westen van ons liggen. Een ander hogedrukgebied bij de Azoren, hield namelijk stand en het noordelijke hogedrukgebied verlegde zijn zwaartepunt wat meer naar het zuidoosten. Het gevolg was dat niet alleen bij ons, maar ook boven Midden-Europa en Duitsland de wind veelal pendelde tussen zuid en oostzuidoost, waarbij de lucht die zodoende bij ons arriveerde, niet zijn oorsprong vond boven Rusland waar het hard vroor, maar veeleer vanuit de noordelijke Balkan kwam (of zelfs nóg zuidelijker), waar het evenmin koud was.
Zodoende bleef de vorstgrens dagenlang ongeveer langs de lijn Noord-Denemarken – Praag liggen en bleef de wind min of meer parallel langs die lijn waaien. Toch werd het in ons land in het noordoosten significant kouder dan in de rest van het land en zodra in het weekend een vore van lage druk over ons land naar het noordoosten trok, maar daar tot stilstand kwam, konden de temperatuurverschillen in ons land verder verscherpen.

Winter bijna op loopafstand.

In Noord-Duitsland vroor het stevig, en de voorste begrenzing van deze kou wist juist het uiterste noordoosten van ons land binnen te lekken. Ten noorden van de lagedrukvore werd de wind echter meer oost en kreeg de kou zondag een extra zetje, terwijl aan de zuidkant van de vore een westzuidwestenwind woei, die zachte lucht aanvoerde. Omdat die vore twaalf uur lang min of meer op zijn plaats bleef, verscherpte de temperatuurverschillen zich aan weerszijde. De vore had ook regen, en aan de koude kant sneeuw veroorzaakt, die daar uiteraard bleef liggen. De verschillen op korte afstand werden zo ook optisch, maximaal. Daalde de temperaturen zondagochtend in Groningen verder naar -5 tot ruim -7 graden, in een smalle overgangszone van midden Friesland naar Zuid-Drenthe over amper 20 km, steeg de temperatuur méér dan tien graden. Zo schommelde het kwik in Stavoren rond +5 graden, terwijl het in Dokkum méér dan drie graden vroor. Halverwege de ochtend waren de verschillen verder oostwaarts nóg groter. Zondagochtend even na tien uur was het in Hoogeveen -4,3 graden, en op het zelfde moment in Heino +6,7 graden, een verschil van precies elf graden, over een afstand van minder dan 20 km hemelsbreed! Op het grensvlak met de koude lucht viel er wat ijzel, die de wegen spekglad maakte.
Een actievere storing vanuit het zuidwesten zou in de avond en de nacht naar maandag de vorst uit het hele land verdrijven, maar niet voordat er in het noordoosten een pak sneeuw was gevallen. In het uiterste noordoosten van het land was van die sneeuw vanochtend (dinsdag) nog zo’n 5 cm over…

Het resultaat?

Terwijl driekwart Nederland qua vorstproductie tot dusver nog steeds de zachtste winter beleeft sinds tenminste 1901 met ook sinds 20 januari nul Hellmann- en vorstsompunten, was dat beeld in het noordoosten dus totaal anders. Stavoren, Heino en Leeuwarden scoorden in deze periode ook nul Hellmannpunten, de vorstsom kwam respectievelijk uit op 0,8; 2,5 en 4,9; ook niet bepaald indrukwekkend.
Verder naar het oosten en noorden deden Hoogeveen, Lauwersoog en Eelde het al beter met een vorstsom van 8,9; 10,8 en 11,8. Daar werden ook 1,8; 5,0 en 5,8 Hellmannpuntjes gesprokkeld. Die drie plaatsen konden dus een serie vorstdagen optekenen, maar geen ijsdagen. Hoe groot de verschillen ook hier waren, zien we aan onze meest noordoostelijke meetpost, Nieuw Beerta. Hier werden zeven vorstdagen op rij gemeten, en op drie etmalen bleef ook de maximumtemperatuur onder nul. Dat leverde een vorstsom van 25,7 op, en een Hellmanngetal van 11,1.
Hoe zeer de winterliefhebbers hier te lande de boot hebben gemist, blijkt wel als we nog iets oostelijker gaan kijken. In het Noord-Duitse Bremen werd naar Nederlandse maatstaven met gemak aan de eis van een vorstperiode voldaan met zeven ijsdagen op rij, een vorstsom van 54,9 en een Hellmanngetal van afgerond 25. In het wat oostelijker gelegen Hamburg was zelfs bijna sprake van een koudegolf!  Wél zeven ijsdagen op rij en ook drie nachten met strenge vorst, maar na die laatste strenge vorstnacht steeg het kwik boven nul… Toch is een vorstsom van 82,4 en een Helmangetal van afgerond 37 punten in een week tijd, indrukwekkend te noemen.
De kans dat we een herkansing krijgen, is trouwens erg klein. Weliswaar komt de vorst even terug en kan deze donderdag zelfs het hele land hebben veroverd, ditmaal blijft het hoogstwaarschijnlijk bij een plaagstootje, dat komend weekend wellicht alweer verleden tijd is. Maar daar zullen we vrijdag op terugkomen.

Bronnen:  Meteo Consult, KNMI, Netatmo. Foto voorpagina: Jannes Wiersema.