Het wordt 'dus' een zachte winter.

Sommige mensen weten het zeker, de komende winter wordt zacht, omdat de vorige vijf winters dat niet waren!

Wellicht fronst u nu uw wenkbrauwen, na het lezen van deze kop. Want hoe kunnen we nu – medio eind november – al weten dat de komende winter zacht zal gaan verlopen? De waarheid is dat we dat natuurlijk niet kunnen weten, hoogstens kunnen we een vermoeden uitspreken. Toch zijn er genoeg mensen die stellig denken te weten dat de komende winter zacht wordt. Waarom? Omdat de afgelopen vijf winters niet zacht waren!

Hellmanngetal, zachte, ‘normale’ en koude winters

Deze mensen goochelen als het ware met de statistiek. Inderdaad was niet één van de afgelopen vijf winters zacht, als we naar de vorstproductie in die winters kijken. Een populaire manier is om te kijken naar het zogenaamde Hellmanngetal. Daartoe worden alle gemiddelde etmaaltemperaturen, voor zover deze onder nul liggen, bij elkaar opgeteld, met weglating van het minteken.


Hoe hoger dit getal, des te meer vorst heeft de winter dus opgeleverd. Volgens de classificatie van het KNMI kunnen we een winter met een Hellmanngetal van 40 tot 100 als ‘normaal’ betitelen. Een winter met minder dan 40 punten is zacht (of nog zachter) en vanaf honderd Hellmannpunten en hoger is de winter koud (of zelfs zeer koud, dan wel streng). Deze getallen gelden voor De Bilt. Gezien de huidige opwarming van het klimaat  is er wat voor te zeggen om die grenzen wat naar beneden bij te stellen. De twintig winters van de 20e eeuw die het meest ‘in het midden’ uitkwamen, hadden een Hellmanngetal van 35 tot 73, maar voor het hierna volgende betoog is het niet verkeerd om die grens van 40 tot 100 punten aan te houden.


Welke grens we ook hanteren, de afgelopen vijf winters vallen dan  sowieso in die ‘normaal’ categorie. De winter van 2008-2009 was de zachtste uit dit rijtje met 56,5 punten en die van 2009-2010 de koudste met 94,7 punten. De drie winters daarna scoorden respectievelijk 80,6; 88,4 en 73,2 punten. Vijf ‘normale’ winters op rij dus, en volgens de iets mildere grenzen waren vier van die vijf winters ‘aan de koude kant’. Er is dus geen sprake van dat we een serie écht koude, of zelfs strenge winters achter de rug hebben.

Goochelen met statistiek

Daarmee wordt een belangrijk argument van de mensen die menen dat de komende winter ´dus´ een zachte wordt, weggenomen. Ze redeneren ongeveer als volgt: ‘we hebben vijf keer met een zuivere dobbelsteen gegooid en dat leverde iedere keer een ‘zes’ op. De kans om zes maal een ‘zes’ achter elkaar te gooien is zó klein, dat er nu wel een ander getal uit de bus zal komen.’ Deze gedachtegang wordt mede gevoed door het feit dat het sinds 1901 nog nooit is voorgekomen dat zes winters op rij een Hellmanngetal van 40 punten of meer opleverden in De Bilt.

Om meerdere redenen is deze redenering fout. Om met die dobbelsteen te beginnen, er is een kans van 1/6 dat je een zes gooit. De kans om zes zessen op rij te gooien is inderdaad erg klein; 1/6x1/6x1/6x1/6x1/6x1/6=1/46.656.


Maar… dat is vóórdat we hebben gegooid. Inmiddels hébben we al vijf keer gegooid en dat leverde iedere keer een ‘zes’ op. De dobbelsteen heeft geen geheugen en zo is de kans dat we bij de volgende worp opnieuw een ‘zes’ gooien, gewoon weer 1/6; een even grote kans dus als de vijf worpen hiervoor in plaats van vijf ‘zessen’, bijvoorbeeld 2-4-6-1-3-3, of ieder ander willekeurig resultaat hadden opgeleverd.


Met opeenvolgende winters is min of meer hetzelfde aan de hand. We kunnen niet zeggen dat het weer helemaal geen geheugen heeft, maar het is niet zo dat de komende winter koud wordt, omdat de vorige zacht was, of andersom. De kans dat de komende winter qua vorstproductie minimaal ‘normaal’ wordt, is niet kleiner geworden omdat de vijf afgelopen winters ‘normaal’ of ‘aan de koude kant’ waren.

Langere reeks ‘normale’ tot ‘vrij koude’ winters?

Maar toch, zullen deze mensen zeggen, sinds 1901 is het niet voorgekomen dat er een langere reeks was van vijf winters, zonder dat eentje daarvan zacht was, met een Hellmanngetal van lager dan 40. Dat klopt. We hebben nu een reeks van vijf van zulke winters gehad, en van 1962 tot en met 1966, hadden we er ook vijf winters op rij gehad die niet ‘zacht’ waren. Zes of méér op rij is dus sinds 1901 inderdaad niet voorgekomen.


Echter, sinds 1901 waren 52 winters (46%) kouder dan de winter uit 2009 (de zachtste uit het huidige rijtje van vijf) en 30 winters (27%) waren nog kouder dan de koudste (die uit 2010) uit dit rijtje. In totaal 67 van de 113 winters (59%; een duidelijke meerderheid) leverden minimaal 40 Hellmannpunten op.


Met andere woorden, om de vergelijking met die dobbelsteen weer te trekken, we hoeven dus niet alleen een ‘zes’ te gooien, maar een ‘vijf’ of een ‘vier’ is ook toegestaan. We ronden dan al fors naar beneden af, want we komen dan op 50% uit en niet op 59%. Met die 59% is het simpel uitrekenen dat er een kans is van 2% dat zes winters op rij 40 Hellmannpunten of meer opleveren. Een kleine kans, maar toch een kans van één op vijftig. In een reeks van 113 jaren zou dat, gegeven deze kans, wel eens een keer moeten zijn voorgekomen. Niet dus, en ook dan leert ons de nuchtere statistiek dat dit niet bijzonder is. De kans is het grootst dat deze gebeurtenis in 113 jaar twéé maal optreedt, gevolgd door één maal, drie maal en nul maal, maar die laatste twee kansen ontlopen elkaar maar weinig. Het is dus puur toevallig en zeker nog niet uitzonderlijk dat in de afgelopen 113 jaar niet één maal een reeksje van zes ‘normale’ tot koude winters op rij is voorgekomen.

Langer geleden…

Dat kunnen we ook zien als we de winters van vóór 1901 gaan bekijken. Uiteraard moeten we de Hellmanngetallen uit die winters wat globaler bezien, maar we zien meteen ook de willekeur van het zetten van een punt bij 1901. Alle winters van 1899 tot en met 1904 namelijk (zes op rij) hadden een Hellmanngetal van méér dan 40 punten. Kort daarvoor hadden we van 1885 tot en met 1895 zelfs elf winters op rij, waarvan er niet één volgens de huidige maatstaven zacht verliep! Kijken we verder terug, dan vinden we regelmatig reeksen van zes of meer winters op rij, waarvan er niet eentje zacht verliep.


Zoals bekend, was het klimaat in de 18e en de 19e eeuw kouder dan tegenwoordig, en daarmee was toen de kans op een zachte winter kleiner. We zien dan ook een aantal flinke reeksen van ‘normale’ tot koude winters, zonder dat deze door een zachte werden onderbroken. Acht keer was deze reeks acht jaar of langer, drie maal zelfs tien jaar of langer. De langste reeks duurde vijftien jaar, van 1709 tot en met 1723. De twee koudste winters uit die reeks waren 1709 met 314 en 1716 met 288 Hellmannpunten en in totaal tien van die winters kwamen destijds tussen 60 en 90 Hellmannpunten uit.


Kortom; de moraal van dit verhaal: we zouden best nu wel eens een reeks van zes ‘niet zachte’ winters op rij kunnen meemaken. En mocht de winter van 2013-2014 tóch ‘zacht’ verlopen, dan ligt de oorzaak hiervan in ieder geval niét in het verloop van de vijf winters hiervoor.


Wat wij momenteel denken over de kansen op een zachte of koude winter, kunt u beluisteren op onze weerlijn, 0900-9725, en kies dan optie 8. Het bericht is juist vandaag ververst.

Bronnen: Meteo Consult, KNMI. Foto voorpagina: Tom van der Spek.