De invloed van het weer op de vogeltrek

Het is nog zomer, maar de vogeltrek is al op gang gekomen. Soms is het weer daarbij een lastpak!

Op 3 september 1965 strandde een groep van zo’n half miljoen trekvogels afkomstig uit Scandinavië in de stad Lowestoft in Groot-Brittannië nadat de wind de vogels te ver naar het westen liet verdriften en de regen hen weerhield van de voortzetting van hun trekroute. De lucht zag die dag zwart van de vogels die letterlijk uit de lucht kwamen vallen. Ze zochten hun heil in tuinen, op tv-antennes, op stranden en op de wegen en paden. Hierdoor kwam het verkeer in de stad tot stilstand. Gekraagde roodstaarten gingen zelfs op de schouders zitten van de inwoners! Het moet een magnifiek schouwspel zijn geweest!

Het schouwspel van Lowestoft is een bijzonder voorbeeld van de invloed van het weer op de vogeltrek. De vogeltrek is een mysterieus fenomeen dat goed kan worden waargenomen in augustus, september en oktober. Veel is nog onbegrepen. Wat weten we eigenlijk over de invloed van het weer op de vogeltrek?

De vogeltrek
Drieduizend jaar geleden hebben de oude Grieken de eerste waarnemingen van de vogeltrek vastgelegd. Zij begrepen het fenomeen toen nog niet, zo dacht Aristoteles dat de vogels een winterslaap hielden en de Engelse natuurwetenschapper Morton dacht in 1703 dat de zwaluwen naar de maan migreerden. Pas aan het eind van de 18e eeuw ontdekte men, door waarnemingen vanaf schepen en door het uitvoeren van experimenten met vogels, dat ze in longitudinale richting over de aarde migreren.

De vogeltrek is ontstaan onder invloed van de evolutie. Een vogel met behoefte aan specifiek voedsel, temperatuur en licht zal een bepaald leefgebied kiezen en daar het liefste het hele jaar verblijven (en wordt dan een standvogel genoemd). Door onderlinge concurrentie van soorten is het niet voor alle vogelsoorten mogelijk om in één gebied te verblijven en zo ontstaat de vogeltrek.

Timing van de trek
Vogels “timen” de start van de trek met de interne klok die gelegen is in de pijnappelklier in hun hersenen. Deze biologische klok is gebaseerd op een jaarlijks en dagelijks ritme. Tezamen met de verkortende dagen, beïnvloedt deze interne klok het hormonale systeem van vogels waardoor ze voorafgaand aan de trek opvetten, hun verenpak ruien en een zekere mate van trekonrust ontwikkelen.

Invloed van het weer op de timing van de trek
Vogels zijn zich bewust van het weer en het effect daarvan op het falen of slagen van de trek. Ze vertrekken meestal niet wanneer het zwaar bewolkt is, met sterke tegenwind of in de regen. Ze zijn in staat om gunstige weersomstandigheden te voorspellen op basis van het weer en de luchtdruk van het moment. Het gevolg is dat vogels in golven trekken op het moment dat er sprake is van een hogedrukgebied, een geschikte staartwind en een gunstige temperatuursverandering. Wanneer vogels worden opgehouden door slecht weer, trekken grote groepen pas weg als de omstandigheden verbeteren. De week van vertrek ligt vast, maar de exacte dag kan worden bepaald op basis van de omgevingsfactoren. In het minst gunstige geval wachten ze een hele week, om op de laatste dag bij slechte weersomstandigheden te gaan vliegen.

Navigatie tijdens de trek
Vogels moeten zich oriënteren tijdens de trek om de juiste bestemming te bereiken. Hiertoe gebruiken ze drie soorten kompassen: de zon, de sterren en het aardmagnetisch veld. Het zonnekompas werkt hetzelfde als de wijze waarop een verdwaalde wandelaar de zon kan gebruiken om te bepalen in welke richting hij loopt. Een aantal vogelsoorten trekt ook ’s nachts en kan van de zon geen gebruik maken. Tijdens nachtelijke trek vliegen zij op hun sterrenkompas. Dit is een sterrenkaart die vogels nog niet hebben ontwikkeld als ze uit het ei kruipen, maar ze hebben wel gelijk al de mogelijkheid om het rotatiecentrum van de sterren vast te stellen. De sterrenkaart wordt tijdens het leven van de vogel geperfectioneerd. Dat gebeurt met behulp van het aardmagnetisch kompas. De vaardigheid om het magnetische noorden te vinden komt voort uit magnetoreceptoren; cellen die magnetische informatie kunnen opvangen. Het is nog niet bekend waar deze cellen zich bevinden bij vogels. Mogelijk is er sprake van kleine magnetiekristallen boven de neusgaten van de vogels. Dankzij dit aardmagnetisch kompas kunnen vogels zich in bijna alle omstandigheden oriënteren.

Verder zetten vogels voor hun navigatie ook de andere zintuigen in, zoals zicht op het landschap, gehoor en reuk. Sommige vogels kennen de geluiden van amfibieën en insecten die voorkomen in hun leefgebieden en kunnen die geluiden vanaf grote afstanden horen. Andere vogels gebruiken de echo van hun eigen geluid om te bepalen waar ze zijn of zetten hun reuk in om te bepalen waar zeevogelkolonies zich bevinden (deze kolonies hebben een sterke geur). Tot slot blijkt uit recent onderzoek dat vogels waarschijnlijk zelfs veranderingen in zwaartekracht en de Corioliskracht kunnen detecteren!

Invloed van het weer op de navigatie tijdens de trek
Globaal zijn er drie belangrijke factoren van het weer die invloed hebben op de navigatie tijdens de trek. Ten eerste de wind, ten tweede een wolkendek dat de sterren aan het oog onttrekt en ten derde de temperatuur op de bestemming die van grote invloed is op het lokale voedselaanbod. De wind speelt de sleutelrol voor de meeste trekvogels.

Dicht boven de grond is de wind minder krachtig dan hoger in de atmosfeer. Bovendien kan de windrichting op grotere hoogte anders zijn dan aan de grond. Daarom vliegen vogels die tegen de wind in vliegen vaak op lage hoogte en zijn daarmee goed zichtbaar voor vogelaars. Als er weinig trekvogels te zien zijn, betekent dat daarom niet dat ze er niet zijn, maar dat ze zich hoger in de atmosfeer bevinden, omdat ze daar wind mee hebben. Bij wind van opzij, sturen vogels tegen de zijwind in, om niet van hun route af te dwalen.

Orkanen en andere extreme weersomstandigheden zorgen er meestal voor dat vogels hun trek onderbreken op een veilige plaats. Op de oceanen zijn deze veilige plaatsen niet altijd voorhanden, al zijn grote schepen en (boor)eilanden vaak wel een geschikte rustplaats. Wanneer er echter geen veilige plaats aanwezig is om te landen, dan zullen vogels ondanks hun vlieg- en stuurkunsten van hun route afwijken. Dit is het mechanisme dat de oorzaak is van het voorkomen van dwaalgasten, zoals de baltimoretroepiaal die in de winter van 2010 nog ons land aandeed na een omzwerving van Amerika over de Atlantische Oceaan naar Europa.

Het weer als verklaring voor het schouwspel van Lowestoft
De verklaring voor het schouwspel van Lowestoft is terug te vinden in de weerkaarten van 2, 3 en 4 september 1965. Een hogedrukgebied boven Scandinavië was het startsein voor de trek op 2 september. Boven de Alpen lag op dat moment een depressie die in noordwestelijke richting bewoog en op 3 september boven de Noordzee kwam te liggen. De oostenwind in combinatie met het slechte weer aan de bovenzijde van het lagedrukgebied, zorgde ervoor dat de vogels massaal hun trekroute moesten verleggen en zelfs onderbreken door neer te strijken in Lowestoft.

Bronnen:
Meteo Consult
Artikel over Lowestoft 1965: http://www.bbc.co.uk/radio4/worldonthemove/themes/lost-in-transit/
Weblog over baltimoretroepiaal, door Luuk Punt: http://vogelpunt.wordpress.com/2010/01/06/baltimoretroepiaal-met-koffie-en-bitterkoekjes/
Stephen Moss. Birds and Weather: A Birdwatcher's Guide, Hamlin: 1995
S. Åkesson, A. Hedenström. Wind selectivity of migratory flight departures in birds. Behavioral Ecology and Sociobiology. February 2000, Volume 47, Issue 3, pp 140-144
Thomas Alerstam. Bird Migration, Cambridge University Press: 1993
Jonathan Elphick. Atlas van de vogeltrek. Tirion natuur, Baarn: 2008
Breuner, C. W., Sprague, R. S., Patterson, S. H. and Woods, H. A. (2013). Environment, behaviour and physiology: do birds use barometric pressure to predict storms? J Exp Biol. 216, 1982-1990
Anna Gagliardo. Forty years of olfactory navigation in birds. J Exp Biol 2013 216:2165-2171
Ian Newton. The Migration Ecology of Birds. Academic Press, London: 2010