Herfstregime zet in

Geleidelijk schuiven we naar de herfst, ook weertechnisch gezien. En dat heeft te maken met de watertemperatuur.

Misschien niet fijn om te horen, maar het woord ‘herfst’ is in onze weerkamer al een aantal keer gevallen. Niet omdat de werkroosters voor diep in het najaar al klaar hangen, maar omdat de zomer dermate vergevorderd is dat we voor een aantal weersituaties in het herfstregime terecht komen. Daar waar bij een onstabiele luchtopbouw de stapelwolken en buien de afgelopen maanden vooral boven land ontstonden, gaat de Noordzee nu een steeds grotere rol spelen als buienmotor. De oorzaak; het water is nu vaak warmer dan het land.

Het weer in Nederland staat voor een groot deel onder invloed van de Noordzee. Die bak met water voor de deur staat bovendien niet op zichzelf. Meer westwaarts, na de landhobbel die we de Britse eilanden noemen, ligt de enorme watervlakte van de Atlantische Oceaan. In combinatie met overwegend aanlandige winden, leidt dat tot ons Nederlandse zeeklimaat. Dat neemt niet weg dat we bij tijd en wijle van dat zeeklimaat worden ontkoppel als de wind continentaal is. Vanaf eind juni tot en met begin augustus dit jaar hebben we geregeld warme zuidelijke winden gehad, die een paar keer de temperaturen zelfs tot heel ver in de dertig graden lieten oplopen. In voornoemde periode beleefde Nederland veel meer een landklimaat dan een zeeklimaat. Echter, met een algemene windrichtingenvoorkeur voor west tot zuidwest, vertoeven we toch overwegend in een zeeklimaat.

Niet alleen de invloed van zee, maar ook het feit dat we een delta zijn, speelt een aanzienlijke rol in ons klimaat. We grossieren in plassen, meren en rivieren en onze grondwaterstand zou in een natuurlijke toestand (dat wil zeggen; zonder bemaling) hoog zijn. Met veel water ten westen en noorden van ons, en met veel water binnen de landsgrenzen, kan er dus veel vocht verdampen. In potentie kunnen er dus ook gemakkelijk wolken ontstaan. Immers, vocht genoeg!

Dampende wateren
Op het moment dat de zomer een eind gevorderd is, gaan we dat vocht rondom ons meer bemerken. Vanaf januari tot en met mei/juni zijn onze wateren aan de koele kant, zo niet zeer koud. De Noordzee heeft in februari veelal een gemiddelde temperatuur van 4 tot 6 graden. In april stijgt dat naar 7 tot 10 graden en vervolgens warmt het water heel geleidelijk verder op. Momenteel is de Noordzee ongeveer 18 graden, vlak aan het strand 20 graden. Het IJsselmeer heeft nog een grotere thermische fluctuatie. De laatste jaren veranderen aanzienlijke delen van het IJsselmeer ’s winters enige tijd in ijsvlakten, terwijl het in de zomer zelfs voor de koukleumen goed zwembaar is met 24 tot 26 graden.

Het gedamp van de wateren heeft in het verleden al tot de term Hondsdagen geleid. Daarmee wordt een periode in het jaar aangeduid waarin de luchtvochtigheid hoog is en waarin verse levensmiddelen gemakkelijk bederven. Eind juli, tijdens de hitte, was dat in menig keuken zichtbaar. Zelfs de eierkoeken beschimmelden waar je bij stond, yek. In de loop van augustus lopen de Hondsdagen af, maar blijft het nog maanden overwegend vochtig. Vandaar ook dat de herfst ‘over het algemeen’ wordt gekenmerkt door mist, dauw en bewolking. Het blijft dus vochtig, maar ook de wateren blijven nog lang warm doordat ze een grote warmtecapaciteit bezitten. Terwijl het land en de lucht erboven tijdens een periode met killer weer, maar ook tijdens kille nachten, snel van temperatuur verschieten, gaat dat bij grote waterpartijen heel erg traag. Het IJsselmeer is vrij ondiep, dus daar gaat het nog relatief rap. De Noordzee is veel dieper en bereikt haar laagste temperatuur pas in februari of maart.

Deze langzame reactie van grote wateroppervlakken op de temperatuur, leidt bij ons bij aanlandige winden veelal tot een tempering van extremen. Bij een aanlandige wind in het voorjaar strijkt de bries over het koude water en kunnen we nooit in de hitte terecht komen. Bij eenzelfde wind in september en oktober kan het nooit koud worden.

Onstabiel
Het andere effect van de grote warmtecapaciteit van water, is dat op een gegeven moment het water warmer is dan het land. Of, een groot deel van het etmaal warmer is dan het land. En op dat moment (dat moment is niet op een dag of week aan te wijzen) kunnen boven zee gemakkelijker stapelwolken ontstaan dan boven het land. Bij een onstabiele luchtopbouw worden luchtdeeltjes door ‘trek’ van boven en/of door opwarming van beneden gemakkelijk in stijging gebracht. Die luchtdeeltjes ondervinden daarbij een dalende luchtdruk, koelen af en blijven stijgen. Op een gegeven moment zijn de stijgende luchtdeeltjes dermate afgekoeld dat ze condenseren en een wolk vormen. Een stapelwolk, ofwel cumuluswolk.

Daar waar in de late winter, het voorjaar en een aanzienlijk deel van de zomer, de watertemperatuur veelal beduidend lager is dan de luchttemperatuur boven land, zullen dergelijke cumuluswolken gemakkelijker en vaker boven land tot ontwikkeling komen. En eventueel doorgroeien tot een bui. Vandaar ook dat het aandeel zonuren in de kustgebieden in het voorjaar en het eerste part van de zomer veelal groter is dan landinwaarts. Veelal zie je dan (op een licht onstabiele zomerdag) dat het strand en een brede kuststrook wolkenvrij is, maar verder landinwaarts de stapelwolken de overhand krijgen.

En inmiddels wordt dat beeld geleidelijk omgedraaid. Uiteraard niet bij alle omstandigheden, maar wel bij onstabiele condities, zoals deze dinsdag. De zee is aardig opgewarmd, het land afgelopen nacht fors afgekoeld en door de passage van een trog (betekent in de meteorologie een zone met extra ‘optillingen’, ofwel extra ‘trek’ van bovenaf) vormen zich vele stapelwolken en buien. Zou dat in het voorjaar of hartje zomer boven water niet of nauwelijks wat opleveren aan bewolking en buien, nu komt de Noordzee vol te liggen met hoog torenende wolkenpartijen die vervolgens over schuiven. Overigens, met het oplopen van de temperatuur, in de loop van dinsdagochtend, werd het ook boven land warm genoeg om extra buien bij te vormen.

Het ontstaan en oplossen van bewolking en buien heeft in ons land dus deels te maken met de temperatuur van alle wateren. Dat wil niet zeggen dat een sneeuwbui alleen de kustregio’s aandoet en vervolgens instort omdat het landinwaarts aan de grond te koud is. In hoeverre buien in de herfst en winter het hele land aandoen heeft veel van doen met de sterkte van de wind die er waait en de mate van onstabiliteit. En zo blijft er voor ons meteorologen altijd nog meer dan genoeg om te bestuderen.

Kom bij ons langs
Meer te weten komen over wolken, het ontstaan en oplossen ervan? Kom dan gezellig met een groepje bij ons een workshop wolken herkennen volgen! Wij vertellen je alles, beantwoorden vragen en leiden je graag rond in onze Wageningse weerkamer.

Bronnen: Meteo Consult, MODIS voor de satellietbeelden.