De feiten en fabels over onweer

Zoals bij veel weerfenomen zijn er oude wijsheden. Ook bij onweer. Maar kloppen ze wel?

“De bui blijft hier bij de rivier altijd hangen”. “De berg houdt het onweer tegen”. “Buien trekken altijd om de stad heen”. “Eiken moet je wijken”. “De zwaluwen vliegen laag, dus het weer wordt vaag”. Dit zijn een paar voorbeelden van oude weerkundige wijsheden. Soms zit er een kern van waarheid in, maar verreweg de meeste hebben weinig gemeen met de werkelijkheid. Nu na de hitte van vandaag en morgen onweer wordt verwacht, is het de hoogste tijd om eens stil te staan bij de feiten en fabels.

Om dit uit te kunnen leggen is het belangrijk om wat meer over onweersbuien te weten. De wolken die bij onweer horen, worden in de meteorologie cumulonimbus genoemd. Dit zijn de meest imposante wolken die bestaan. Ze kunnen tot meer dan 15 kilometer hoog in de atmosfeer reiken. Hoe snel en in welke richting deze buien zich voortbewegen, wordt over het algemeen bepaald door de windrichting op enkele kilometers hoogte in de atmosfeer.

Lokale invloeden

Vooral vroeger heerste bij mensen het idee dat zaken als rivieren, stedelijke bebouwing of een Nederlandse ‘berg’ onweersbuien konden stoppen of van richting doen veranderen. Ook nu denken verscheidene mensen dit nog, al zijn het er sinds het openbaar beschikbaar worden van radarbeelden wel minder geworden.

Eerder hebben we al beschreven hoe ver onweersbuien de hoogte in reiken. Daarmee kunt u zich wel voorstellen dat het Nederlandse reliëf te klein is om deze buien van koers te doen veranderen of te stoppen. Als het lijkt dat het steeds op dezelfde plek blijft donderen, komt dit niet omdat het onweer stil is blijven hangen, maar omdat een nieuw buiengedeelte met onweer is gearriveerd. Als een bui wel stil hangt, heeft dit te maken met het ontbreken van wind in de hogere luchtlagen.

Microklimaat

Het is overigens niet zo dat het Nederlandse reliëf en steden helemaal geen invloed hebben op onweersbuien. Integendeel zelfs. In steden is bijvoorbeeld sprake van een microklimaat. De temperatuur is hier vaak net iets hoger dan op de officiële weerstations – die buien de stad staan – het geval is. We noemen dit het stadseffect.

Dit microklimaat kan de thermiek die nodig is voor de vorming van regen- en onweersbuien versterken. Ook reliëf zoals de Veluwe doet dit. Het hoogteverschil alhier veroorzaakt een beetje extra optilling in de atmosfeer. Hierdoor zie je dat buien onder invloed van de Veluwe iets kunnen activeren en dat verklaart waarom Apeldoorn bijvoorbeeld één van de natste plaatsen in ons land is.

Invloed van het water

Ook rivieren zijn veel te klein om invloed uit te oefenen op onweersbuien. Maar de Noordzee en het IJsselmeer kunnen dit wel. Vooral in het najaar wanneer het water relatief warm is. Deze warmte wordt dan afgegeven aan de luchtlagen erboven, waardoor de atmosfeer onstabiel wordt. Warme lucht is immers lichter dan koude lucht, waardoor de opstijgende bewegingen bij de onweersbui een extra impuls krijgen.

Bij een zuidwestelijke stroming zie je dan bijvoorbeeld dat onweersbuien die afkomstig zijn vanaf de Noordzee boven Noord- en Zuid-Holland deactiveren. Maar vervolgens trekken ze over het relatief warme IJsselmeerwater, waardoor ze op hun weg naar Friesland weer in activiteit toe kunnen nemen. In het voorjaar is overigens het tegenovergestelde van toepassing en ontstaan buien vooral boven land, terwijl het koude water de vorming ervan tegenwerkt.

Als de zwaluwen laagvliegen…

Dieren blijken soms ook een goede barometer te zijn. Neem bijvoorbeeld zwaluwen. Vaak verplaatsen deze vogels zich hoog in de lucht, waardoor we ze niet zien. Maar bij naderend onweer vliegen ze lager. Vandaar dat diverse spreekwoorden bij laagvliegende zwaluwen ook de link leggen naar naderend onweer.

Als onweer in aantocht is, is er vaak sprake van een onrustige atmosfeer. Naast thermiek komen ook daalstromen en een stevige wind voor. Zwaluwen zijn insecteneters. Insecten houden niet van dit weertype en gaan daarom lager vliegen dan normaal. Zwaluwen volgen dit voorbeeld om aan hun voedselbehoefte te blijven voldoen.

Eiken moet je wijken

Van bliksem is bekend dat ze inslaat op hoge objecten. Er wordt namelijk gezocht naar de snelste weg voor een ontlading en dit is het hoogste object in de omgeving. Bij onweer is het dus niet veilig om onder een boom of naast een gebouw te gaan staan. De bliksem kan (via deze objecten) namelijk ook op jou inslaan. Middenin een dicht bos is het veiliger, mits je uit de buurt van de bosrand blijft.

Ook hier is weer een oude wijsheid, namelijk dat de bliksem eerder in eiken dan in beuken inslaat. De verklaring hierachter klinkt logisch. Zo zouden de wortels van een eikenboom veel dieper de grond ingaan dan bij een beuk het geval is. Hierdoor maakt een eik meer contact met het grondwater, waardoor het een betere geleider is en de bliksem eerder inslaat.

Het klopt dat eiken bij blikseminslag meer schade oplopen dan beukenbomen, waardoor de indruk wordt gewekt dat ze vaker door bliksem worden getroffen. Maar blikseminslag komt bij beide bomen even vaak voor. Op de gladdere stam van een beuk, is een schadespoor door de bliksem echter minder goed herkenbaar dan bij een eik het geval is.

Wat te doen bij onweer?

Bij onweer is het buiten niet veilig. Indien regen- en onweersbuien op komst zijn, kan je het beste zo snel mogelijk naar binnen gaan. Lukt het niet om op die manier een veilig onderkomen te zoeken, neem dan in ieder geval de volgende veiligheidsmaatregelen: vermeid hoge losstaande objecten als bomen, bosranden, torens, masten, enzovoort. middenin een bos zelf is het wel relatief veilig. Blijf ook uit de buurt van metalen voorwerpen als hekwerken. Als je in het open veld zit, maak de dan zo klein mogelijk door te hurken. Zet je voeten dicht bij elkaar en plaats je handen op je hoofd en je armen naast je lichaam.

Bronnen: Meteo Consult & diverse internetsites.

Foto voorpagina: tornadojagers.nl.