Misleidende statistiek

Meteorologen maken gebruik van statistiek. Echter, niet altijd wordt daarmee het juiste verhaal verteld.

In de meteorologie is statistiek zeer belangrijk, vooral bij het bepalen van het ‘gemiddelde’ weer, zeg maar het klimaat. Net als het dagelijkse weer, is ook het klimaat aan verandering onderhevig. Daarbij is het belangrijk om de statistiek op een juiste manier te hanteren, want juiste getallen op zich, kunnen toch (bewust of onbewust) op een leugenachtige manier gepresenteerd worden. Dat is uiteraard niet wenselijk. We geven een paar voorbeelden van dit jaar, waarbij we kijken naar de temperatuur.

Statistiek verwarring…

Een beroemde uitspraak is de volgende: “Een statisticus, die niet kon zwemmen, waadde door een rivier van gemiddeld een halve meter diepte. Hij verdronk.” Daarmee is meteen perfect aangegeven dat een gemiddelde weliswaar juist kan zijn, maar tóch een verkeerd beeld kan schetsen. Helaas zien we dat dit ook in de meteorologie méér dan eens voorkomt. Voor een eerste voorbeeld hoeven we namelijk niet ver terug te gaan in de tijd.

Oktober 2012 ‘gemiddeld’ qua temperatuur?

In het nieuwsoverzicht van het KNMI, waarin kort de afgelopen maand wordt behandeld, lezen we in de aanhef van het verhaaltje: “De temperatuur was, afgezien van enkele warme dagen, normaal.” Wie niet verder doorleest zou hieruit wellicht kunnen concluderen dat oktober als geheel wat warmer dan gemiddeld moet zijn verlopen. Op de meeste dagen was de temperatuur immers ‘normaal’ en verder waren er nog een paar warme dagen.

In werkelijkheid was oktober met 10,5 graden een fractie koeler dan de norm en alles behalve een grijze muis voor wat betreft het temperatuurverloop. Gelukkig wordt daar in de laatste alinea’s van het verhaaltje dieper op ingegaan en wordt de ‘fout’ in de aanhef goedgemaakt.

Vooral het temperatuurverloop gedurende de laatste twee oktoberweken kunnen we namelijk als opmerkelijk betitelen. Op 22 oktober namelijk, leek het bijna zomers met temperaturen die in een groot deel van het land naar 20 tot 24 graden wisten op te lopen! Amper een week later kon het zomerbloesje echter voor de winterjas worden ingeruild met op de 28e op veel plaatsen lichte, en lokaal zelfs matige vorst. In Twente kwam het aan de grond zelfs tot strenge vorst, -10,2 graden!
De val van de temperatuur was zo opmerkelijk groot. In De Bilt bedroeg de gemiddelde temperatuur op 22 oktober 16,2 graden, wat 6,3 graden hoger was dan het langjarige gemiddelde voor die dag. Op de 27e was het etmaalgemiddelde slechts 2,9 graden, ditmaal een afwijking van 6,6 graden naar beneden. En dat dus binnen één week!
Nog groter waren de verschillen in Beek (Zuid-Limburg). Op 19 oktober was de etmaalgemiddelde temperatuur daar 18,7 graden, op 28 oktober slechts 0,6 graden, een verschil van 18,1 graden! We rolden dit jaar dus wel erg snel van het laatste vleugje nazomer naar het eerste winterprikje en zo was oktober qua temperatuur alles behalve ‘normaal’, ondanks dat de maandtemperatuur maar weinig afweek van het langjarige gemiddelde.

Winter 2012 was qua koudeproductie een normale winter?

In het maandoverzicht van maart 2012 van het KNMI treffen we een bijna schokkend staaltje van misleidende statistiek aan. We citeren:  “Over het tijdvak november 2011 tot en met maart 2012 bedroeg het Hellmanngetal 88,4. Hiermee komt deze periode bij de categorie van normale winters.” Het Hellmanngetal is de sommatie van alle gemiddelde etmaaltemperaturen, voor zover deze onder nul graden liggen, met weglating van het minteken, dus een etmaal met -2,0 graden gemiddeld scoort precies twee punten. Op zich is de opmerking juist dat met 88,4 het winterseizoen als geheel in de ‘normaal’ categorie valt, maar dan hebben we hetzelfde beeld geschetst als die statisticus die verdrinkt in een rivier die gemiddeld een halve meter diep is.
De afgelopen winter was namelijk zeer uitzonderlijk verlopen qua temperatuur en was daarmee een van de meest bijzondere winters sinds minstens het begin van de vorige eeuw! Het hele winterseizoen verliep namelijk uitzonderlijk zacht, waarbij vorst en sneeuw vrijwel ontbraken, met uitzondering echter van het tijdvak van 28 januari tot en met 12 februari, dat juist uitzonderlijk koud verliep. Sterker nog, het tijdvak 1 tot en met 11 februari is in het verleden, sinds 1901, nog nooit zo koud verlopen als dit jaar! Het geeft niet welke legendarische winter we daarvoor bekijken. Die uit 1963, 1956, 1940, 1929, noem ze allemaal maar op, in al deze winters verliep dit tijdvak minder koud. In De Bilt bleef het Hellmanngetal de eerste winterhelft op 0,0 staan en ook na 12 februari werd er niets meer gescoord. De 16e en 17e januari leverden 1,3 punten op, maar de rest van die 88,4 punten (méér dan 98%) werden in vijftien dagen tijd gescoord, van 29 januari tot en met 12 februari. De bewering alleen dat de winter van 2012 qua koudeproductie ‘normaal’ was, is dus zowel juist, als ook een grove leugen.

Conclusie:

Wat kunnen we hiervan leren? Het is belangrijk om goed met de statistiek om te gaan en daarbij in het achterhoofd te houden wat je met de verkregen uitkomsten wilt vertellen. Sterker nog, je moet beseffen dat hetgeen je vertelt, in overeenstemming moert zijn met de werkelijkheid. We begonnen dit verhaal met een kleine anekdote, en we eindigen er ook mee. “Je hebt de waarheid, je hebt leugens en je hebt statistiek”. Kortom: we moeten te allen tijde er naar streven dat de gebruikte statistiek verhelderend werkt en de zaken niet verdoezelt. Pas dan kan de boodschap goed overkomen.

Bronnen: Meteo Consult, KNMI. Foto voorpagina: Martha Kivits.