Kritische opmerkingen bij het KNMI evaluatierapport.

Zoals beloofd zullen we vandaag een aantal kritische opmerkingen plaatsen bij het onlangs verschenen klimaatrapport van het KNMI.

In het verhaal van afgelopen dinsdag hebben we op deze site een samenvatting gegeven van het evaluatie klimaatrapport van het KNMI dat deze zomer is verschenen. Daarin werden de bevindingen en aannames uit het klimaatrapport uit 2006 nog eens nader onder de loep genomen. Belangstellenden kunnen die samenvatting hier raadplegen. In het onderstaande gaan we er vanuit dat de geïnteresseerde lezer bekend is met de termen die daarin worden genoemd.

Toen hebben we beloofd dat we later een meer kritisch licht over dit rapport zouden laten schijnen en die belofte lossen we vandaag in. Naar aanleiding van dit evaluatierapport zijn er namelijk wel een paar vragen te stellen en opmerkingen te maken. Eerst maken we een paar algemene opmerkingen, daarna zullen we ons gaan concentreren op de klimaatontwikkelingen in eigen land, waarbij we dan vooral naar de temperaturen in de winter en zomer zullen kijken, alsmede naar de neerslag die mogelijk gaat vallen.

Algemene opmerkingen.

Het is lofwaardig dat het KNMI een zo goed mogelijke schatting probeert te maken van het klimaat waarmee we in 2050 (eigenlijk de periode 2036-2065) mee te maken krijgen. Het is namelijk wel duidelijk dat mondiaal bezien het klimaat momenteel (snel) aan het veranderen is; de Aarde warmt op. In hoeverre zet dat in de toekomst door en in welke mate krijgt Nederland daar mee te maken? Hoe grijpt dat in op het dagelijks leven? Welke maatregelen zijn wellicht nodig?

Het klimaat is zeer complexe materie. Onduidelijk is hoe alle processen die het klimaat beïnvloeden precies op elkaar inhaken, elkaar versterken of afzwakken, of misschien andere processen in gang zetten, die mogelijk een onverwacht gevolg hebben. Eigenlijk is er maar één ding duidelijk en dat is dat er nog veel onduidelijk is. In het evaluatierapport wordt dan ook op tal van plaatsen (terecht!) beweerd dat veel processen niet of onvoldoende begrepen zijn en dat het onbekend is hoe deze zich in de toekomst zullen ontwikkelen, ook als deze wel worden onderkend. In feite is het hele klimaat een grote ‘black box’ waarbij tal van processen op Aarde, maar ook in het ons omringende heelal, een rol (kunnen) spelen. De menselijke invloed hierin is daarbij maar één radertje in dit geheel.

Desondanks is het KNMI er in geslaagd om een viertal, meest waarschijnlijke klimaatscenario’s voor Nederland op te stellen, namelijk in het geval dat de mondiale temperatuur met één of met twéé graden zal stijgen, gecombineerd met een ongewijzigd, of een gewijzigd circulatiepatroon (zie de afbeelding linksboven).

Bijna triomfantelijk wordt er in het rapport opgemerkt dat het nu, anno 2009, gezien de (wetenschappelijke) ontwikkelingen niet nodig is om de gedane aannames uit 2006 aan te passen. We volstaan hier met de opmerking dat het droevig zou zijn geweest als dit na drie jaar al nodig zou zijn geweest. Overigens is het nog maar de vraag of die constatering van het KNMI juist is, want het rapport spreekt zich op een aantal zaken tegen. In het navolgende komen we daar onmiddellijk op terecht.

Het verwachte klimaat rond 2050 gedurende de Nederlandse winters.

Het KNMI stelt in haar rapport dat de winters de laatste tijd erg zacht zijn verlopen (een terechte constatering) en dat de oorzaak gelegen is in een duidelijk vaker optreden van westelijke winden in ons deel van de wereld. Een maritieme aanvoer van lucht in de winter leidt nu eenmaal tot relatief hoge temperaturen, dat weet eigenlijk iedereen die een beetje in het weer is geïnteresseerd. Vrieslucht arriveert vooral in ons land als de wind uit richtingen tussen noordoost en zuidoost waait.

Gebleken is dat de temperatuur in ons land sterker is gestegen dan het mondiale beeld, wat in de winter dus komt door een toename van de westelijke winden. En toch lijkt de mate van opwarming, als we het lopende 30-jarige gemiddelde voor de temperatuur (1980-2009) vergelijken met de nu geldende norm (1971-2000), dat de opwarming in de winter juist het geringst schijnt te zijn in vergelijk met de overige drie seizoenen. Zo ligt de lopende norm voor december met 3.9 graden in De Bilt zelfs ééntiende graad lager dan de norm uit 1971-2000, en daarmee is december de enige maand van het jaar die tot dusverre nog niet is opgewarmd. Ook de laatste tien decembermaanden zitten met 4.0 graden gemiddeld precies op de ‘oude’ norm. Januari en februari zijn wél opgewarmd, maar (iets) minder dan de overige maanden.

Dat komt omdat juist in de jaren ’70 van de vorige eeuw ook een heel stel zachte winters optrad, een beeld dat pas in 1979 werd doorbroken. In de jaren ‘80 volgden er toen een aantal koude tot zelfs strenge winters, dus het lijkt wel waarschijnlijk dat ook de wintertemperaturen nog een inhaalslag zullen gaan maken. Echter, nog lang voor we aan 2050 toe zullen zijn, zullen de recordzachte winters uit het begin van deze eeuw ook al zijn weggevallen en het is nog maar de vraag of die dan door minstens even zachte winters worden gecompenseerd.

Het KNMI stelt namelijk dat die toename van westelijke winden nogal extreem was. In niet één van de vier scenario’s wordt echter gesteld dat een veranderend circulatiepatroon tot een stagnatie of zelfs een dalende wintertemperatuur zou kunnen leiden in ons land. Rond 2050 leidt een matige of sterkere mondiale opwarming tot een vergelijkbare temperatuurstijging in ons land.

Maar wat gebeurt er als de meer normale afwisseling van westelijke en oostelijke winden gedurende de winters terugkeert, zoals bijvoorbeeld in de jaren ’80 van de vorige eeuw? We zien hier een duidelijke tegenspraak.

Ook is het twijfelachtig of de temperaturen gedurende de koudste winterdag in vrijwel dezelfde mate warmer zal worden dan de verwachte stijging van de wintertemperatuur als geheel. Het is in dat kader voldoende om op een tweetal recente gebeurtenissen te wijzen, namelijk de -20.7 graden die op 4 maart 2005 in Marknesse werd gemeten en de -20.8 graden in Ell op 6 januari van dit jaar. Ook in een verder zachte winter kan het kwik nog fors onderuit gaan, als de atmosferische gebeurtenissen maar gunstig uitpakken, zelfs een kouderecord kan zo nog worden gebroken!

Voor de neerslag wordt in alle vier de scenario’s een stijging verwacht van tussen 4 en 14%. Dat klinkt dramatischer dan het is, want de natuurlijke schommeling in de neerslag, die normaal altijd al een grillig beeld laat zien in zowel tijd als plaats, bedroeg bijvoorbeeld in januari voor De Bilt gedurende 1971-2000 67.0 mm, en in de laatste dertig jaar 70.5 mm. Dit is al een stijging van ruim 5%. Nu treedt neerslag dermate grillig op, dat een droge, of juist natte maand al een behoorlijk stempel kan drukken op zelfs een gemiddelde over 30 jaar. Alleen al deze eeuw, die pas negen jaar oud is, varieerde de januarineerslag van 15.1 mm in 2006 tot 123.1 mm in 2004. Ook hiervoor geldt wellicht dat als het circulatiepatroon zal veranderen het - met het bovenstaande in het achterhoofd -  juist verdedigbaar is dat dit tot een verlaging van de gemiddelde neerslaghoeveelheden zal leiden, en niet tot een verdere stijging. Met het bespreken van de zomer, is het neerslagaspect zo mogelijk nog belangrijker dan gedurende de winter.

Het verwachte klimaat rond 2050 gedurende de Nederlandse zomers.

Voltrekken de klimaatveranderingen zich volgens de vier scenario’s in de winter nog behoorlijk gelijkmatig, in de zomer zijn de veranderingen dramatischer. Bij een gematigde opwarming valt het nog mee. De temperatuurstijging verloopt dan min of meer in gelijke pas met de mondiale opwarming en puur omdat warmere lucht meer waterdamp kan bevatten, zal er daarom een beetje meer neerslag vallen, maar afwijkingen van 3 tot 6% vallen vrijwel geheel weg in de natuurlijke variatie die de neerslag nu eenmaal kent. Als we, om een concreet voorbeeld te geven, de laatste 30 jaar vergelijken met de ‘normaal’-periode 1971-2000, dan is juni 9% droger geworden, juli 16% natter en augustus zelfs 21% natter! De schommelingen die in de neerslag in een periode van pakweg tien jaar kunnen optreden, zijn dus zo groot, dat deze ook zeer sterk doorwerken in een gemiddelde van dertig jaar.

Het KNMI stelt dat de opwarming in de zomer deels wordt veroorzaakt door een sterkere instraling van de zon, dit vanwege een schonere atmosfeer in vergelijk met 20 tot 40 jaar geleden. Dat effect zal de komende jaren echter niet verder meer doorwerken, dus dat kan niet de verklaring zijn voor de opwarming rond 2050. Nee, dat de opwarming in de zomer dan wellicht sterker zal zijn dan de mondiale opwarming, komt door een veranderend circulatiepatroon. We krijgen meer continentale winden, waardoor de aangevoerde lucht droger en warmer wordt. Dit is een erg speculatieve aanname. Een extra warm Zuid-Europa leidt niet automatisch tot meer oostenwind in ons land. Het kán wel, maar het gebeurt net zo goed niet. Vooral als dit gebeurt door een zogenaamd thermisch lagedrukgebied dat puur door de hitte ten zuiden van ons land wordt gevormd, dan is het nog maar de vraag of die depressie strategisch genoeg ligt om de wind bij ons langer dan één of twee dagen in de oosthoek te houden. Zo’n depressie is vaak niet echt honkvast en kan ook onweersbuien opwekken, die op hun beurt weer verkoeling brengen. De (bijna) recordwarme zomer van 2006 kan daarbij als voorbeeld dienen. Het was toen veeleer de gunstige ligging van hogedrukgebieden die het hete en stabiele zomerweer veroorzaakten.

Het is daarmee dus ook geen wet van Meden en Perzen dat die hitte automatisch met een grotere droogte gepaard gaat. Het KNMI stelt dat het aantal regendagen afneemt, maar het aantal korter durende en lokale zware buien juist groter wordt. De actuele gebeurtenissen lijken dat beeld te bevestigen, maar tegenwoordig staan er veel regenmeters opgesteld en dankzij de moderne communicatiemiddelen wordt tegenwoordig elke zware bui boven de Benelux (en daarbuiten!) opgemerkt. Maar dat betekent niet dat die buien vroeger minder talrijk waren en in de toekomst talrijker worden. Kijken we naar de neerslaggegevens van De Bilt sinds 1906, dan zien we dat het aantal natte dagen met minimaal 30 mm neerslag de laatste zeventig jaar vrijwel constant is gebleven. In totaal kon er in ruim een eeuw tijd op acht dagen tenminste 50 mm worden afgetapt, maar de laatste keer dat dat gebeurde is al meer dan 40 jaar geleden (19 juli 1966; 61.2 mm).

Opnieuw zien we hier een tegenstrijdigheid in het rapport, want daar waar eerst wordt gesteld dat de scenario’s in gelijke mate voor het hele land gelden, wordt er later opgemerkt dat door het warmer worden van het Noordzeewater juist in de kuststreken veel meer neerslag kan gaan vallen en dat het daar dus juist flink natter wordt. Augustus 2006 vormt een voorbeeld.

Het lijkt er dus op dat alles klopt, maar dat er eerst een kaart wordt getrokken uit één scenario en dat voor een ander aspect een ander scenario beter past. Op die manier krijg je natuurlijk altijd gelijk, wat er ook gebeurt.

Conclusie?

De conclusie moet luiden dat, ook met het oog op de wetenschappelijke ontwikkelingen, er nog erg veel onduidelijk is over de mechanismen die op het mondiale klimaat van invloed zijn en in welke mate. Daarbij is niet vanzelfsprekend dat die effecten in dezelfde mate ook voor Nederland gelden. Hierdoor moeten de gedane aannames voor wat betreft het toekomstige klimaat wel een schot in het duister blijven. In dat licht is het merkwaardig dat het KNMI in geen enkel scenario voorziet dat de temperatuur in ons land ook wel eens zou kunnen stagneren of zelfs iets zou kunnen dalen, tegen de mondiale trend in. Enkele zaken die dat zouden kunnen veroorzaken, worden in het rapport wel aangestipt, al wordt er verder ‘niets’ mee gedaan, zoals het afnemen van de warme Golfstroom door toedoen van de versnelde afsmelt van de ijskap op Groenland, en de processen op de zon, om er maar eens twee te noemen. Klimaatonderzoekers lijken de zon soms wel geheel weg te willen cijferen en alles op de menselijke invloed te willen gooien. Maar wat als de huidige rustige fase van de zon gewoon blijft aanhouden? Dat is in het verleden ook al eens gebeurd en dat leidde toen tot een significante temperatuurdaling op Aarde.

Misschien kan de mensheid zich beter inspannen om verdere vervuiling van lucht, water en aarde tegen te gaan en deze vervuiling terug te dringen. Het doel daarbij zou niet moeten zijn om eventuele klimaatveranderingen ongedaan te maken, maar om onze roofbouw op Moeder Aarde te stoppen, zodat we ook onze nazaten een leefbare wereld kunnen aanbieden.

Bron: Meteo Consult, KNMI. De afbeeldingen komen uit het evaluatierapport, tenzij anders vermeld. Foto voorpagina: Steyn van Antwerpen.