Het evaluatie klimaatrapport van het KNMI

In 2006 heeft het KNMI vier klimaatscenario's gemaakt waar ons land in de toekomst mogelijk mee te maken krijgt. Onlangs kwam een evaluatierapport uit, dat we hier samenvatten.

Het klimaat is tegenwoordig een ‘hot item’. Geen wonder. De laatste tien tot twintig jaar is de Aarde sterk opgewarmd en de aanwijzingen worden steeds sterker dat hier niet louter sprake is van een natuurlijke schommeling in het klimaat, maar dat de mens daar ook (een grote?) invloed op heeft. Deze klimaatverandering heeft gevolgen die mogelijk ook het leven van alledag raken en maakt dat het wellicht nodig is om maatregelen te treffen.

Om daar meer inzicht in te verkrijgen heeft het KNMI in 2006 een klimaatrapport opgesteld, waarin werd gepoogd te schetsen welke klimaatveranderingen Nederland in vooral de periode rond 2050 staat te wachten, hoewel er ook voorzichtig naar het einde van deze eeuw werd gekeken. Vorige maand verscheen er een zogenaamd evaluatierapport, waarin aanvullingen op de in 2006 gegeven scenario’s werden gegeven. In het onderstaande verhaal zal een samenvatting van dit rapport worden gegeven. Hierbij zullen geen kanttekeningen worden geplaatst. Dat zullen we gaan doen in het verhaal van aanstaande donderdag, als we wél een kritisch licht over dit rapport zullen laten schijnen.

De vier klimaatscenario’s voor Nederland voor de periode rond 2050.

Kort samengevat wordt er gesteld dat er vier waarschijnlijke scenario’s voor de klimaatverandering in Nederland zijn te onderscheiden. De vergelijking wordt getrokken met het klimaat zoals dat heerste in 1990. Nu is ‘het klimaat’ van één jaar een niet zinvolle aanname, bedoeld wordt hier het ‘gemiddelde’ weer gedurende de periode 1976-2005. Het jaar 1990 valt precies in het midden van deze periode.

Er zijn twee mogelijkheden voor wat betreft de temperatuurontwikkeling. De gemiddelde wereldtemperatuur ligt in 2050 (eigenlijk dus de periode 2036-2065) één graad hoger (‘G’), of twéé graden hoger (‘W’). Daarbij veranderen de luchtstromingspatronen niet, of juist wel (zie de afbeelding hiernaast, in dat laatste geval spreken we van ‘G+’ en ‘W+’). Zo gecombineerd komen we dus tot de vier verschillende visie’s.

In die twee ‘+’ scenario’s zorgen de veranderende circulaties ervoor dat de winters in Nederland in het algemeen zachter en natter verlopen, hetgeen veroorzaakt wordt door het optreden van sterkere westelijke winden. De zomers verlopen juist extra warm en droog, met winden die juist meer een voorkeur krijgen voor de oosthoek. Echter, hoewel het aantal regendagen op zich afneemt, neemt het aantal zware buien wel toe, waardoor het neerslagbeeld veel grilliger wordt. De oorzaak is gelegen in het veranderingen in de positie van de straalstroom, die gemiddeld bezien meer noordelijk komt te liggen. Bij de ‘G’ en ‘W’ scenario’s zijn de invloeden van veranderingen in de luchtstromingen echter klein.

Verder wordt er vanuit gegaan dat de veranderingen in het windklimaat klein zullen zijn, met andere woorden, de kans op het voorkomen van een zware storm zal niet significant af- of toenemen.

Bij deze aannames is er vanuit gegaan dat de regionale klimaatverschillen die optreden, vergelijkbaar zijn met die die ook tegenwoordig al optreden, met andere woorden: de veranderingen zullen in Groningen even groot zijn als in Zeeland, en in de stad even groot als op het platteland. Verder loopt nog als een rode draad door dit alles heen dat de zeespiegel zal blijven stijgen.

In het rapport uit 2006 is voor de vier seizoenen een schatting gemaakt in de veranderingen in vooral temperatuur en neerslag. In het huidige evaluatierapport is dat echter uitgebreid tot de twaalf afzonderlijke maanden en wel voor de vier scenario’s. Bij scenario ‘G’ (wereldwijde temperatuurstijging één graad; geen verandering in circulatiepatroon) bedraagt de verwachtte temperatuurstijging in ons land rond 2050 ten opzichte van de periode rond 1990 precies 0.9 graad in alle maanden en neemt de gemiddelde neerslaghoeveelheid met 3% (in november tot en met februari) of met 4% toe (in de overige maanden).

Stijgt de wereldtemperatuur echter met twéé graden (scenario ‘W’), dan worden de maanden oktober tot en met april 1.8 graden warmer en de overige maanden 1.7 graden. In november tot en met maart neemt de neerslaghoeveelheid met 7% toe, in de overige maanden met 6%, alleen in juli met 5%. We zien hier dus in feite maar geringe, of helemaal geen verschillen tussen de diverse maanden.

Anders wordt het beeld echter als er ook rekening wordt gehouden met een verandering in circulatiepatroon, zoals geschetst in scenario ‘G+’ en ‘W+’. In het eerste geval varieert de verwachtte temperatuurstijging rond 2050 van +1.8 graden in het winterhalfjaar tot +1.7 graden in het zomerhalfjaar, in het laatste geval (‘W+’) verloopt dat in een vloeiende curve van +2.3 graden in januari, naar +2.9 graden in augustus en in de maanden daarna weer terug tot +2.3 graden in december. De verwachte neerslaghoeveelheden verlopen langs een vergelijkbare curve, in scenario ‘G+’ van +8% in januari naar -12% in augustus en terug naar +7% in december. De maanden mei tot en met oktober worden dan droger, de andere maanden juist natter.

Het beeld wordt extremer als het ‘W+’ scenario wordt gerealiseerd. Het neerslagpatroon verloopt dan via een toename van 15% in januari, via een afname van 24% in augustus, naar een toename van 13% in december.

De wetenschappelijke achtergrond.

In dit evaluatierapport wordt gesteld dat de aannames, zoals deze in 2006 werden gedaan, nu nog steeds gelden. In de drie jaar die inmiddels zijn verstreken, zijn geen nieuwe inzichten aan het licht gekomen die deze aannames aan het wankelen hadden gebracht. In het rapport wordt ruim baan gemaakt om de wetenschappelijke achtergronden, waarop de vier klimaatscenario’s zijn gebaseerd. Belangrijk is dit kader is de huidige en verwachte uitstoot van broeikasgassen, zoals die zijn berekend door het IPCC (Intergovermental Panel on Climatic Chance). Op basis van deze scenario’s kan elk van de vier scenario’s van het KNMI optreden. Onzekerheden liggen er in de sociaal-economische ontwikkelingen en de daaraan gekoppelde emissies van broeigasgassen, stofdeeltjes en over het landgebruik. Er zijn ook natuurlijke onzekerheden, waarvan de belangrijkste vulkaanuitbarstingen zijn en de zonneactiviteit. Uiteraard is er ook nog veel onbekend over het gedrag van het klimaat daarop. Verder zijn ook de modellen en de rekencapaciteit van de computer in meer of mindere mate beperkt en schiet überhaupt onze kennis omtrent de klimaatsystemen simpelweg tekort, zoals in het rapport wordt opgemerkt. Daarom wordt er ook gesproken over ‘scenario’s’ en niet over ‘verwachtingen’.

Deze onzekerheden vertalen zich ook meteen als men een schatting probeert te maken over in welke mate de zeespiegel langs onze kusten zal stijgen. Deze stijging wordt veroorzaakt door het afsmelten van het landijs op Groenland en/of Antarctica en door het uitzetten van oceaanwater door de opwarming van dit water. Het KNMI gaat uit van een waarschijnlijke stijging van 35 tot 85 cm in het jaar 2100, daar waar de Deltacommissie uitgaat van een ‘worst-case’ scenario die de zeespiegelstijging laat uitkomen tussen 55 en 120 cm in het jaar 2100.

Gebleken is dat de mondiale CO2 uitstoot de laatste jaren helemaal aan de bovengrens ligt van wat eerder door het IPCC werd berekend. Het daadwerkelijk CO2 gehalte in de atmosfeer valt nog wel binnen de bandbreedte van de verwachtte concentratie (nu 385 PPM, ‘parts per miljoen luchtdeeltjes’), maar ligt wel iets aan de bovenkant. De mondiale temperatuurstijging van de afgelopen jaren kan wellicht grotendeels worden toegeschreven aan menselijke invloed. Ondanks temperende natuurlijke invloeden (geen sterke El Niño, geringe zonneactiviteit) waren de jaren 2000-2008 mondiaal gezien 0.17 tot 0.22 graden warmer dan het gemiddelde over 1990-2000 en staan alle jaren van deze eeuw in de top tien van allerwarmste jaren sinds het eind van de 19e eeuw, ook al lijkt het kwik de laatste paar jaar minder snel te stijgen.

Extra snelle opwarming in Nederland en het effect op de hoeveelheid neerslag.

Het blijkt dat de temperatuur in ons land en de ons omringende landen sterker is gestegen dan mondiaal bezien. De temperatuur is zelfs twee maal zo snel gestegen als de wereldtemperatuur. Belangrijkste oorzaken zijn een toename van westelijke winden in de winter en in de zomer een toename van de inkomende straling, waarschijnlijk door het schoner worden van de atmosfeer, in combinatie met een sterkere uitdrogen van het Europese vasteland. Deze verschijnselen worden in de huidige klimaatmodellen onvoldoende beschreven. Ook is het lastig het opgetreden beeld naar de toekomst te extrapoleren. De toename van de westenwinden in de winter is vrij extreem geweest. Zekerder is dat de atmosfeer niet veel schoner zal worden, inderdaad is sinds 2000 geen duidelijk afname in de hoeveelheid stof in de atmosfeer meer gemeten. Het huidige beeld is van dien aard dat de temperatuurstijging, zoals geschetst in de ‘G’ en ‘G+’ scenario’s nu al bijna gerealiseerd is.

Wat betreft de neerslag houden modellen er rekening mee dat het in de landen rondom de Middellandse Zee steeds droger wordt in de zomer. Bij een zuidelijke wind zal het dan gauw warmer worden. Bovendien zouden de luchtdrukpatronen door de hogere temperaturen in Zuid-Europa dusdanig veranderen, dat de wind bij ons vaker oost wordt, wat ook bij ons tot een hogere temperatuur leidt. Warme lucht kan meer waterdamp bevatten. De relatieve vochtigheid neemt dan af en daarmee de kans op regen. In absolute zin kan er wel méér waterdamp in de lucht zitten. Meer lokale en zwaardere buien zijn het gevolg. Dit beeld is moeilijk in één scenario te passen. Niet alleen het land wordt warmer, maar ook het water van de Noordzee. Verwacht mag worden dat bij bepaalde circulaties de kust hierdoor juist een stuk natter wordt dan het binnenland, daar waar de vier scenario’s uitgaan voor één vaste verandering die geldt voor heel het land.

Tot zover deze samenvatting. Belangstellende kunnen het hele rapport hier raadplegen. Bij dit rapport zijn wel een aantal kanttekeningen te plaatsen, maar dat zullen we aanstaande donderdag doen.

Bron: Meteo Consult, KNMI. Alle hier geplaatste afbeeldingen komen uit het KNMI-rapport. Foto voorpagina: Jannes Wiersema.