Het blauwe goud van Istan

Het water vloeit rijkelijk in de grote toeristenoorden aan de Costa del Sol. Trotse verstrekker van het blauwe goud is het plaatsje Istan.

In Nederland regende het vandaag, en dat niet voor het eerste deze zomer. We kijken er feitelijk nauwelijks van op. Veel bijzonderder is het de laatste jaren als het langere tijd droog blijft, zoals we in het voorjaar de afgelopen al enkele keren hebben meegemaakt. Niet alleen genieten veel mensen omdat de Hollandse regen eindelijk eens een tijdje achterwege blijft, ook valt op dat de natuur heel snel begint te verdrogen. Binnen de kortste keren vliegen vliegtuigjes over de Veluwe om de droge bossen daar op brandjes te bewaken, sproeiers verschijnen in het land om de gewassen nat te houden en het gras wordt geleidelijk aan bruin.

Wat op zulke momenten opvalt, is dat onze natuur blijkbaar behoorlijk wat water nodig heeft om goed te kunnen functioneren. Als dat water dan even niet valt, heeft dit meteen zijn gevolgen. De mensen die massaal het zuiden van Europa hebben uitgezocht voor hun vakantie, zullen weten dat de natuur er daar op veel plaatsen significant anders uitziet dan in ons eigen Nederland. Het is er veel vaker droog, zeker in het zomerhalfjaar. En wil de begroeiing de droge tijd door kunnen komen, dan zal die met minder water genoegen moeten nemen. Zo zit de natuur mooi in elkaar en vindt feitelijk zelf oplossingen voor netelige problemen.

Lastig wordt als ook de mens in het spel komt. Toeristen, die in de zomer massaal naar de kustgebieden van de Middellandse Zeelanden afreizen, hebben veel water nodig. Als je de statistieken erop naslaat, blijkt het watergebruik in de toeristenoorden gemiddeld zelfs vaak veel groter te zijn dan in de landen waar al die toeristen vandaan komen. Helemaal onlogisch is dat niet. Een bad in zee is pas compleet als je na afloop onder de douche het zout weer van het lichaam hebt gespoeld. Golfen in de zon is pas leuk als de golfbaan waarop je speelt er ook mooi groen bijligt. En mensen met tweede huizen aan de Middellandse Zee hebben hun tuinen bij voorkeur het hele jaar door groen, niet alleen in de winter. Er moet kortom heel wat gesproeid worden. Ook in de (zomer)maanden waarin het weer het water niet aanvult.

Stuwmeren
Stuwmeren vormen de oplossing. In het vlakke Nederland, waar we het water gewoon uit de rivieren pompen die altijd blijven binnenstromen, vormen die een relatief onbekend fenomeen. In het zuiden van Europa zijn ze een onmisbare waterbron bij het overleven van de droge zomermaanden. Dit betekent overigens niet dat de plaatselijke bevolking er veel mee opheeft. Als de overheid in zo’n land weer eens beslist dat huizen en dorpen in een vallei, waar een stuwmeer moet komen te liggen, voor het water moeten wijken, volgt altijd een lange periode van protesten en soms dramatische beelden. Het einde van het liedje is dat de ‘vooruitgang’ voorrang krijgt en dat de dam er komt. De bewoners krijgen nieuwe grond en nieuwe huizen toegewezen op een plek, veilig boven het water. Maar de plaatsen van hun herinnering raken ze kwijt.

Dat de belangen groot zijn, blijkt op die momenten dat de regen in het voor de stuwmeren zo belangrijke winterseizoen uitblijft. Gebieden, die dan toch nog met behoorlijk gevulde waterbekkens de zomer ingaan, moeten hun ‘blauwe goud’ vaak met hand en tand verdedigen tegen opnieuw de overheid die plaatsen met voldoende water dan heel snel verplicht om ‘hun’ water te gaan leveren aan die plekken waar het water op is. En dat uiteraard voor ‘aangepaste’ prijzen. De kraan moet overal blijven lopen. Opnieuw zijn protesten niet van de lucht. Tegelijkertijd ontlenen gebieden met een overvloed aan water juist op die momenten een vorm van trots aan het feit dat zij de droge gebieden met tekorten min of meer ‘redden’.

Trots
Een prachtig voorbeeld van zo’n trots plaatsje is het dichtbij de Costa del Sol in het zuiden van Spanje gelegen stadje Istán, dat met zijn stuwmeer de hele Costa del Sol van water voorziet, inclusief plaatsen als Marbella, Fuengirola en Mijas. En als de omgeving van de grote stad Malaga met zijn toeristenplaats Torremolinos weer eens zonder water zit, wordt ook meteen de blik gericht naar het stuwmeer van Istán, dat dan vaak nog wel wat te bieden heeft.

Als je, komend vanuit Marbella de ruim 15 kilometer lange bergweg richting Istán rijdt, kun je je nauwelijks voorstellen hoe belangrijk deze regio eigenlijk is voor al die miljoenen toeristen die jaarlijks de Costa del Sol met een of meerdere bezoeken vereren. Over een smalle en bochtige bergweg kruip je naar boven. Hier en daar worden nieuwe, grote huizen gebouwd door mensen die ook een optrekje dichtbij de kust willen. Verder zie je voornamelijk veel dennenbomen tegen de achtergrond van de hoog oprijzende bergen van de Sierra Blanca en de Sierra Real.

Het gebied als geheel heet de Sierra de las Nieves, de bergkam van de sneeuw. Nu is sneeuw in dit gebied uiterst zeldzaam. De naam slaat dan ook niet op de sneeuw, maar op de kleur van de kalkrotsen, die tussen de bossen door wit tegen de vaak diepblauwe lucht in het gebied afsteken. De poreuze kalkrotsen werken in de winter als een spons waarin de vaak overvloedige regens in het gebied voor een belangrijk deel worden opgezogen om tijdens de zomermaanden vertraagd weer te worden teruggegeven. Zo staat het riviertje in het gebied, de Rio Verde nooit droog en is de natuur er altijd groen, ook al regent het zoals in de zomer maandenlang niet.

Na enige kilometers is links van de weg in de diepte de stuwdam te zien die op die plaats van de Rio Verde, de ‘groene rivier’ een stuwmeer heeft gemaakt. Op het moment dat wij er rijden, het is begin juni 2009, staat het tot aan de nok toe vol. Het heeft blijkbaar goed geregend, in de maanden daarvoor. Er lijkt voor de Costa del Sol geen vuiltje aan de lucht.

Watervallen
Twintig minuten later komen we het dorp binnen, een verzameling spierwitte huizen omgeven door groene bergen en een serie overweldigende tuinen waarin veel citrusvruchten groeien. Op de achtergrond is steeds het water in de Rio Verde hoorbaar zichtbaar, dat via verschillende watervallen uit de bergen naar beneden komt en in het dal als een beek verdergaat door eerst het tuinengebied en dan uiteindelijk richting het stuwmeer, letterlijk aan de voet van het dorp. Istán is een klassiek Andalusisch stadje, met zijn smalle witte straatjes en met weelderige bloempotten op de grond en op de balkons die over de straat uitkijken. Op de een of andere manier ruikt het in dit soort stadjes altijd naar zeep en ziet eigenlijk alles er onwerkelijk schoon uit.

Hoe rustig het er ook lijkt te zijn, het gaat de dorpelingen zo op het oog meer dan goed. Er wordt enorm geïnvesteerd, ook Istán lijkt het toerisme te hebben ontdekt. Het kan niet anders of het gemeentebestuur weet de positie van Istán als waterreservoir van de economisch zo belangrijke Costa del Sol goed uit te buiten bij de regionale en landelijke Spaanse overheden. Het ontbreekt het dorp, dat op zo’n wonderlijke plaats ligt, werkelijk aan niets.

Verwonderd
Verwonderd wandelen we er rond en worden op bijna elke hoek geconfronteerd met de werkelijke rijkdom van Istán, de vrijwel onbeperkte aanwezigheid van water in het gebied. In elke straat stroomt het wel, de ene keer door wasbakken, de andere keer door kanaaltjes onder de weg die door roosters toch steeds voor iedereen op straat zichtbaar zijn. En alsof dit nog niet genoeg is, wordt je bij ieder uitzichtpunt aan de rand van het hooggelegen stadje of met een waterval geconfronteerd, die in de verte duidelijk hoorbaar en zichtbaar stroomt, of met het stuwmeer, dat voor Zuid-Spaanse begrippen eigenlijk belachelijk vol staat.

De bewoners van Istán gaan zover dat ze de aanwezigheid van ‘hun’ water ook met behulp van informatieborden en tegels, opvallend in de muren van de huizen aangebracht, ‘bezingen’. Zodat elke toerist die de Costa del Sol bezoekt in elk geval weet waar het water vandaan komt dat zij in zo rijke mate late vloeien, elke dag weer. En geef de bewoners van Istán eens ongelijk!

Bron: Meteo Consult.