Het lange wachten

Al 11 jaar lang wachten we op een echte winter. En de klagers hebben gelijk: nog nooit duurde dat wachten zo lang...

Toen in Nederland de laatste Elfstedentocht werd gereden op 4 januari 1997 was ik zelf in het zuiden van Spanje. Terwijl hier kou en ijs regeerden, regende het in Andalusië dag-in-dag-uit. Steeds natter werd daar het land, steeds vaker traden de rivieren buiten hun oevers.

Tegen het einde van de vakantie, toen in Nederland de Elfstedentocht naderde, zouden we in de Sierra Nevada, het gebergte ten zuiden van de Zuid-Spaanse stad Granada, 6 dagen gaan skiën. Viel in de stad regen, in het op 2400 meter hoogte gelegen dalstation van het skigebied, was dat sneeuw, bijna iedere dag wel 30 centimeter of meer. Omdat het bovendien hard doorwaaide, stoof die sneeuw alle kanten op. Vooral de wat beschutter gelegen delen van het skigebied kwamen onder een indrukwekkende sneeuwlaag te liggen. Sommige bergkommen sneeuwden bijkans dicht. Ik zal nooit het beeld vergeten van een liftgebouw dat aan het einde van onze skiweek bijna tot aan de punt van het dak onder de sneeuw verdwenen was. De lift zelf was niet meer te gebruiken omdat de stoeltjes, die onder normale omstandigheden vele meters boven de grond hingen, deels onder de sneeuw waren verdwenen.

De vorstperiode, die het ijs en de Elfstedentocht in Nederland opleverden en het ongekend barre weer in het zuiden van Europa, begon in de tweede helft van december 1996 nog tamelijk verdekt. Zo tussen de 18e en de 21e sloop de kou vanuit het noorden Nederland binnen en begon het geleidelijk te vriezen. Ikzelf merkte daar al niet veel meer van, ver weg als ik was in het overstroomde en gure zuiden van Spanje. Nog geen drie weken zou de reis duren, maar toen ik terugkwam, was de Elfstedentocht al gereden. Het was bijna niet te geloven. Nog geen spoor van ijs in Nederland toen ik wegging, de Elfstedentocht al achter de kiezen op het moment dat ons vliegtuig op Schiphol weer aan de grond kwam.

Schaatsen op de grachten
Gelukkig vroor het nog. Een grote wens kwam uit. Ik woonde nog net in Amsterdam en voor het eerst kwam het ervan om met velen in de donkere avonden over de grachten door de stad te schaatsen. Dat was onvergetelijk, vooral in retrospectief. Want sindsdien is er qua schaatsen op de grachten in onze hoofdstad weinig, zeg maar gerust helemaal niets meer gebeurd. Alleen wisten we dat toen natuurlijk nog niet. Halverwege januari verdween de laatste vorst uit Nederland en smolt voor de laatste keer het dikke ijs. Sindsdien wachten we elk jaar, vanaf grofweg november, weer op de eerstvolgende echt koude winter. Een winter waarvan we maar een ding weten: dat hij steeds dichterbij komt.

Wachten op de winter betekent weermodellen afspeuren op de eerste voortekenen ervan. Meestal is er op de langste termijn, als je de computermodellen volgt, altijd wel wat te vinden. Vooral als de verschillende berekeningen – ieder zichzelf respecterend model herhaalt zijn hoofdberekening tegenwoordig vele malen, met steeds een iets andere uitgangspositie, om de waarde van die hoofdberekening te testen – tegen het einde van de periode lekker uiteenwaaieren. De winterse kant van het spectrum is in de vorm van de bijbehorende kaart meestal wel ergens op de verschillende weerfora op internet terug te vinden. En als die berekeningen lekker uiteenlopen, maakt elke van de onderscheiden scenario’s ongeveer evenveel kans. En is er dus reden tot hoop! Meestal verdwijnt de virtuele winter echter als sneeuw voor de zon, naarmate de dag waarop het moest gebeuren dichterbij komt. De realiteit is dan ook dat het wachten sinds 1997 ook nu nog altijd voortduurt…

Het lange wachten
Elf lange jaren niets dus, of eigenlijk bijna niets, want incidenteel is het wel degelijk even (behoorlijk) koud geweest en soms ook akelig wit. Oefening baart kunst! En omdat we inmiddels zo geoefend zijn, lijkt het er steeds meer op dat het wachten zich langs min of meer vaste lijnen voltrekt. In november beginnen we vol goede moed, want dan mag immers alles en hoeft nog helemaal niks. Dat is een rustgevend gevoel, want ook al vallen de kaarten voortdurend tegen, je hoeft nog niet in een winterdepressie weg te zakken. Na de traditioneel veel te zachte novembermaand zonder ook maar een levensteken van de winter gaan we dan december in. De onrust neemt toe, maar we houden de moed er nog in, want een echte winter begint pas na de kerst. Het moet ook niet eerder, want hij moet niet al zijn kruit al in een te vroeg stadium verschieten. Meestal spelen de gemoederen enkele keren flink op, als het dan eindelijk lijkt te gaan gebeuren. Totdat het Scandinavische hogedrukgebied, dat het allemaal moet gaan doen, op het moment suprême dan toch weer een zakker blijkt te zijn, die de beloofde kou vakkundig naar het zuidoosten van Europa afvoert en Nederland verdwaasd met een paar stralingsnachtjes achterlaat. Onvermijdelijk is dan de draaiing van de wind naar zuid tot zuidwest, waarna een zachte, onstuimige en niet zelden ook natte kerst volgt.

De pijn begint vooral als niet lang daarna opnieuw hoopvolle kaarten aan het einde van de verschillende berekeningen verschijnen. Goed, een grote winter zal het wel niet meer worden, maar er zijn voorbeelden genoeg van winters die pas in of na de tweede helft van januari alsnog met vorst van betekenis kwamen. En we hoeven de Elfstedentocht nog steeds niet af te schrijven. De weken verscheiden, het weer blijft zacht. Zelfs een simpel nachtvorstje zit er lange tijd niet in. Op de weerkaarten liggen de hogedrukgebieden bij de Azoren en doemt vanaf de oceaan het ene na het andere lagedrukgebied op. Geleidelijk aan komt de berusting. Een enkeling wijst nog op de winter van 1956, die in de laatste week van januari begon en uiteindelijk toch nog een ‘grote’ werd, maar niemand gelooft er nog in.

Nee, een weekje vorst in februari en nog een keer een dikke laag sneeuw, dat is waar we vanaf nu genoegen mee nemen. En het mag ook best in de eerste week van maart zijn, zoals in de winters van 2005 en 2006 zo mooi gebeurde. Natuurlijk schaatsen we dan niet meer, want de zon is overdag al veel te sterk om het ijs nog echt te laten groeien. Maar dan hebben we tenminste nog wel even het idee van winter gehad, voordat we het warme halfjaar induiken. Het kan nog erger, zo merkten we de afgelopen winter. Toen gebeurde ook in februari niets en was het in maart op veel plaatsen feitelijk nog wachten op de eerste sneeuwvlokken. En hoewel die ook wel kwamen, was het grote wachten alweer het volgende jaar ingegaan en begonnen we geleidelijk aan onze hoop op de winter van 2009 te vestigen.

Klagers hebben gelijk!
Degenen die zeggen dat het wachten nu wel heel lang duurt, hebben wel gelijk! Als je het Hellmanngetal, verkregen door in de periode van 1 november tot en met 31 maart alle etmaalgemiddelde temperaturen beneden het vriespunt bij elkaar op te tellen met weglating van het minteken, van alle winters sinds 1901 overziet, en je kijkt naar aaneengesloten periodes met winters die in totaal beneden 100 punten blijven, dan maken we nu de langste periode zonder winters van betekenis ooit mee. Vanaf de winter van 1997, waarmee we dit verhaal begonnen en die nog goed was voor een totaalscore van 131.6 punten, zijn 11 winters achtereen niet meer aan een score van 100 punten toegekomen. Van die laatste 11 winters was de winter van 2003 de koudste met een Hellmannscore van 80.1 punten. De rest zat veel lager met als dieptepunt de winter van 2000, die slechts 3.6 punten opleverde.

Ook in het verleden zijn er langer aanhoudende perioden zonder winterweer van betekenis voorgekomen, maar nooit zo lang als deze. Op de tweede plaats staat de periode van 1930 tot en met 1938, toen er 9 jaar lang ook weinig noemenswaardigs gebeurde, al leek het er in 1933 en 1934 (87.6 en 97.0 punten) nog een beetje op. Grappig was dat we toen het diepste zonnevlekkenminum van deze eeuw beleefden. Ook nu bevinden we ons in een opvallend diep zonnevlekkenminimum, al lijkt het hoogtepunt daarvan inmiddels achter de rug. De derde plaats is voor 1988 tot en met 1995 (8 opeenvolgende winters) die echt niets opleverden. Het waren jaren met een vaak bulderende, warme westcirculatie. Op de 4e plaats zien we een ex aequo van de perioden tussen 1910 en 1916 en die van 1972 tot en met 1978, beide bestaand uit 7 opeenvolgende winters zonder echt vuurwerk.

Er is licht...
Voor de pret kijken we nog even naar de winters die deze periodes afsloten. Die van 1917 (komend na een periode van 7 opeenvolgende relatief slappe winters) scoorde 162.1 punten en was een strenge. In 1939 sloot een winter met een score van 106 punten een periode van 9 opeenvolgende winters zonder strenge winterkou af. Daarmee stelde die winter van 1939 nog niet veel voor. Van de winters van 1940, 1941 en 1942 kan dat echter niet gezegd worden. Dat waren drie strenge winters waarvan de laatste twee in de oorlogsjaren vielen. De winter van 1940 scoorde 294.6 punten, 1941 kwam op 158.1 punten uit en 1942 was van dat trio de absolute topper met een totaalscore van 331.8 punten (3e plaats ooit).

De periode van 7 relatief zachte winters in de jaren 70 werd afgesloten door de legendarische winter van 1978/1979 die behalve een bak aan winters vuurwerk voor wat de vorst betreft ook een koudegetal van 205.7 punten opleverde. Het setje van 8 winters zonder echte kou, eind jaren 80 en in de eerste helft van de jaren 90 werd afgesloten door de winter van 1996, toen we een puntentotaal van 150.5 scoorden. De winter daarna, die van 1997, deed het nog een keer over, met 131.6 punten in korte tijd. Maar sindsdien wachten we dus.

De winter van 2009 komt er nu aan. Wat zal die brengen? Komt er een einde aan een serie van 11 winters zonder echt winterweer, of knopen we er weer een aan vast? Het is november, we zitten in de fase waarin alles mag en nog niks hoeft... We houden daarom hoop…!

Bronnen: Meteo Consult, weerfora.