Het weercijfer nader bekeken

Al meer dan dertig jaar geven diverse weeramateurs iedere dag een cijfer aan het weer. Dit weercijfer is een objectie methode om de waardering van het weer in uit te drukken. We leggen uit hoe deze werkt, zodat u deze zelf zou kunnen toepassen.

Een kleine maand geleden is op deze site al eens aangestipt dat er door diverse weeramateurs dagelijks een cijfer aan het weer wordt toegekend. Die methode is in de jaren ’70 bedacht door de Werkgroep Weeramateurs (tegenwoordig de Vereniging voor Weerkunde en klimatologie) en voldoet ook heden ten dage nog goed. Ouderen onder ons zullen zich wellicht nog het karakteristieke stemgeluid van wijlen Jan Pelleboer herinneren, die in zijn weerpraatje de dag van morgen van een rapportcijfer voorzag… We zullen in het navolgende hier dieper op ingaan, want het is een leuke methode, die u ook voor eigen omgeving kunt toepassen, want meer dan uw ogen heeft u er eigenlijk niet voor nodig.

Een subjectieve beleving objectief maken…

Het weercijfer wordt (in tegenstelling tot de handelswijze van Jan Pelleboer) altijd achteraf bepaald, als bekend is hoe het weer die dag is verlopen. Hij heeft betrekking op de periode van 8 tot 20 uur in de zomer en 7 tot 19 uur als de wintertijd is ingegaan. Weerbeleving heeft altijd iets subjectiefs, maar als we het relatief kleine groepje weerfanaten buiten beschouwing laten, dan zullen de meesten onder ons droog en (vrij) zonnig weer bij weinig wind meer waarderen dan een bewolkte, regenachtige en stormachtige dag. Op deze aanname is het weercijfer dan ook gebaseerd. Een volmaakt zonnige en (vrijwel) windstille dag scoort een ‘10’, het maximale cijfer, terwijl een stormachtige dag tijdens welke het de hele dag regent, op een ‘1’, of zelfs een ‘0’ kan uitkomen. Bij het bepalen van het weercijfer kijken we dan ook naar de sterkte van de wind, de hoeveelheid bewolking en wanneer er neerslag valt.

Op het eerste gezicht lijkt het vreemd dat de temperatuur geen rol speelt bij de bepaling van het weercijfer. Dat is expres niet gedaan, omdat temperatuurbeleving nog subjectiever is dan de andere elementen. In de zomer vinden sommigen 23 graden al warm genoeg, terwijl bij anderen het zomergevoel pas bij 30 graden of meer tot ontplooiing komt. Ook schommelt de temperatuur in de loop van de dag nogal sterk en uiteraard moet het mogelijk zijn om ook in de winter hoge cijfers uit te delen als het zonnig, droog en rustig is (maar wellicht koud). De temperatuur speelt dus geen rol. Maar wat dan wel?

De neerslag.

Iedere dag gaan we uit van het cijfer ‘10’ en vervolgens gaan we punten aftrekken, als daar aanleiding voor is. Uiteraard levert neerslag, oftewel regen, hagel of sneeuw, een belangrijk negatief aspect voor de weerbeleving van een dag. De officiële definitie is voor de leek wellicht wat te ingewikkeld, maar komt op het volgende neer:

De hele dag droog? -> Trek 0 punten af.

Kortstondig regen of een bui, maar grotendeels droog? -> Trek 1 punt af.

Meerdere buien verspreid over de dag of een aantal uren aanhoudende regen, maar ook nog langdurige droge perioden? -> Trek 2 punten af.

Een groot aantal buien, die verspreid over de hele dag vallen, of een aanhoudende regenperiode die langer duurt dan een hele ochtend of middag, maar toch is het ook langer dan een uur droog gebleven?   -> Trek 3 punten af.

De hele dag regen en/of buien; het is eigenlijk niet droog geweest? -> Trek 4 punten af.

De intensiteit van de neerslag speelt hierbij geen rol. Bij zowel een wolkbreuk die drie kwartier duurt als een lichte regenbui van een kwartier, wordt er één punt afgetrokken. Wél moet de neerslag intensief genoeg zijn om de straten nat te maken. Valt er urenlang af en toe een spat, trek dan maar één punt af, en niet meer, (zie ook ‘grensgevallen’ hieronder).

De bewolking.

Uit het bovenstaande zou u de indruk kunnen krijgen dat een hele dag regen, bij windstil weer toch nog net een voldoende (een ‘6’) oplevert, maar dat is niet waar. Neerslag valt niet uit een blauwe lucht en voor bewolking worden óók punten in mindering gebracht, en wel als volgt:

Is het zonnig en onbewolkt, of is er hooguit een beetje sluierbewolking te zien? -> Trek 0 punten af.

Is het vrij zonnig, maar is er (een deel van de dag) toch ook wat bewolking te zien? -> Trek 1 punt af.

Is het tamelijk bewolkt, maar breekt de zon toch nog af en toe of zelfs iets vaker door? -> Trek 2 punten af.

Is het bewolkt zonder zonneschijn, of is er hooguit een glimpje zonneschijn geweest? -> Trek 3 punten af.

U ziet nu dat op die regendag nog eens drie punten in mindering worden gebracht, zodat deze dag niet op een ‘zes’, maar op een vette onvoldoende uitkomt. De moeilijkheid bij de bewolking is dat niet alle wolken de zon geheel onderscheppen. Mocht de zon nog schaduw geven, tel de aanwezige bewolking dan niet voor ‘vol’ mee, maar beperk de aftrek tot één, of hooguit twéé punten (zie ook ‘grensgevallen’ hieronder).  

Mist.

Met ‘mist’ wordt géén nevelig weer bedoeld, of een paar laaghangende mistbanken met verder goed zicht. Nee, het zicht moet minder dan 1 km bedragen en dan ook nog voor langere tijd, want er geldt het volgende:

Is de mist binnen twee uur opgetrokken? -> Trek 0 punten af.

Blijft de mist langer dan twee, maar korter dan zes uur hangen? -> Trek 1 punt af.

Blijft de mist langer dan zes uur hangen? -> Trek 2 punten af.

De wind.

Ook voor de wind worden dikwijls punten afgetrokken, maar voor een leek is de windkracht moeilijk in te schatten. De ervaring leert dat de kracht van de wind vaak schromelijk wordt overschat en daarom gelden de volgende regels:

Is het windstil of staat er maar een beetje wind? -> Trek 0 punten af.

Waait het een groot deel van de dag heel duidelijk (bladeren ritselen flink, boomtakken wiegen heen en weer)? -> Trek 1 punt af.

Waait het echt fors, al dan niet met windvlagen? -> Trek 2 punten af.

Is het stormachtig of erger? -> Trek 3 punten af.

Woont u in het binnenland, dan komt dat laatste hooguit één of een paar keer per jaar voor. Vaak zult u 1 punt moeten aftrekken, geregeld 0 of 2 punten. De wind moet daarbij tenminste een halve ochtend of middag zo hebben gestaan, dus op een rustige dag met in de namiddag een bui, waarbij een paar windstoten optreden, trekt u toch 0 punten af.

Grensgevallen en eindcorrectie.

In totaal kunnen er dus twaalf punten worden afgetrokken, waardoor het lijkt alsof het cijfer op een onwerkelijke ‘-1’ of ‘-2’ kan uitkomen, maar dat gebeurt nooit. Mist en harde wind gaan immers nooit samen en de afspraak is gemaakt om nooit lager dan een ‘0’ te gaan, maar even zo goed zou u kunnen besluiten dat het laagst mogelijke cijfer, net als op school, een ‘1’ is.

Verder is het zo dat u altijd op het eind een correctie van maximaal één punt zou kunnen uitvoeren. Stel, zowel de hoeveelheid bewolking als de windkracht zit op de grens zodat u twijfelt of u één, of twéé punten zou moeten aftrekken. Twee punten is wellicht te weinig, en vier teveel, dus dan trekt u voor beide anderhalve punt af. Pakt het weercijfer na uw idee te hoog of te laag uit, dan kunt u maximaal één puntje aftrekken of bijtellen om een beter resultaat te bereiken, zonder overigens de bovenstaande regels geweld aan te doen.

Twee voorbeelden.

De dag van gisteren, zondag 14 september, zou voor de bepaling van het weercijfer weinig problemen moeten geven. Het was droog en niet mistig, dus voor die aspecten hoefden er geen punten te worden afgetrokken. De ochtend verliep zonnig en in de middag werd het geleidelijk wisselend bewolkt, maar kwam de zon nog regelmatig voor de dag. Voor de bewolking zou u dus één punt moeten aftrekken (twéé is teveel, omdat de ochtend zonnig was). De wind was duidelijk aanwezig, en rechtvaardigde daarom een aftrek van één punt. Alleen op de meest windrijke plekken nabij de kust zou een aftrek van twéé punten te overwegen zijn. Vrijwel overal zouden we zo aldus op een ‘8’ uitkomen, zeer lokaal op een ‘7’.

Het tweede voorbeeld is wat ingewikkelder, maar geeft een goed beeld van hoe het weercijfer werkt. Stel, een dag begint met mist, die vóór 9 uur optrekt, waarna het rustig en zonnig wordt. Rond het middaguur begint de wind op te steken en komt er bewolking opzetten. In de late middag is het geheel bewolkt geworden en valt er een bui van een half uur. U trekt dan 0 punten voor de mist af (hij duurde te kort), 1 punt voor de neerslag, 2 punten voor de bewolking (ook mist is bewolking) en 1 (of 2) punten voor de wind. Het weercijfer komt dan op een ‘6’ of een ‘5’ uit.

Het kan leuk zijn om zo op een redelijk objectieve manier iedere dag een cijfer aan het weer te geven en deze te noteren. Later deze maand zullen we eens terugblikken op het nu bijna afgelopen zomerseizoen en welke weercijfers er zoal in deze periode zijn uitgedeeld.

Bronnen: Meteo Consult, Vereniging voor Weerkunde en klimatologie, eigen archief. Foto’s: Corina Magielse (voorpagina), Tom van der Spek.