Aan de slag

Het rapport van de Deltacommissie is woensdag gepresenteerd te Den Haag. Een paar van de opvallendste zaken, en een vraagteken.

Woensdag is het rapport van de Deltacommissie gepresenteerd te Den Haag.

De opstellers van het rapport benadrukken dat waterveiligheid prioriteit nummer 1 moet zijn. De stijgende zeespiegel, de toename van piekafvoeren van de Rijn en Maas, en grote piekintensiteiten in neerslag zorgen ervoor dat onze waterhuishouding complexer wordt en de verdediging tegen bedreigend water sterker zal moeten worden.

Urgentie groot

De urgentie is groot. Het rapport verwacht een zeespiegelstijging tussen 65cm en 130cm in 2100 en tussen 2 en 4 meter in het jaar 2200. Piekafvoeren van Rijn en Maas in natte winters komen in de toekomst te liggen op maximaal 18.000 respectievelijk 4.650 m3 per seconde. Ter vergelijking de afvoer van de Rijn in het hoogwaterjaar 1995 bedroeg nog net geen 12.000m3.

Nieuwe normen nodig

Daarom is het van belang dat de oude Deltanormen, opgesteld in de jaren ’60 van de vorige eeuw, omhoog moeten worden bijgesteld. Er is toen rekening gehouden met extreme hoogwatersituaties die gemiddeld 1 keer in de 10.000 voorkomen. Daar waren, en zijn nog steeds de normen op gebaseerd.

Het klimaat is aan het veranderen, sterker nog is al deels veranderd, en de normen uit de jaren ’60 passen niet meer bij een situatie die slechts 1 keer in de 10.000 jaar voorkomt. Maar duidelijk vaker. De Deltacommissie stelt dan ook voor het veiligheidsniveau van de huidige normen voor de kustverdediging of de huidige kunstwerken met een factor 10 te verhogen.

Aan de slag

De noodzaak ter verbetering van de situatie speelt echter zeker niet alleen op de middellange en lange termijn. Niet alleen gezien de nu al merkbare effecten van klimaatverandering, maar ook gezien de huidige staat van veel ‘kunstwerken’ in verhouding tot de opgestelde veiligheidsnormen uit de jaren ’60.

Uit inventarisaties uit juni 2006 blijkt namelijk dat slechts van circa 30% van de waterkeringen gezegd kon worden dat ze aan de huidige (verouderde) normen voldoen. Zie ook het overzichtskaartje hiernaast.

Om de toekomstige bedreigen het hoofd te kunnen bieden worden twaalf aanbevelingen gedaan. De belangrijkste en meest algemeen geldende hebben we al genoemd: het verhogen van het veiligheidsniveau met een factor 10.

Hieruit vloeien een 11-tal andere aanbevelingen voort. Een paar van de meest in het oog springende behandelen we hieronder kort.

Deponeren van zand voor de kust (suppletie)

Allereerst is er het deponeren van zand voor de kust van Zeeland, Holland en de Waddeneilanden. Hiermee moet de kust de komende eeuw aangroeien. Op het moment is daar geen sprake van maar wordt er slechts zand opnieuw aangevuld waar deze door heersende stormen is verdwenen. De zeewaartse uitbreiding van de kustzone moet de bufferwerking van de kust vergroten en daarmee de veiligheid.

Afvoeren piekvolumes rivierwater

De Deltacommissie gaat uit van tot maximaal 18.000 m3 meter oplopende piekafvoer voor de Rijn en 4.600 m3 voor de Maas. Daarvoor bestaan al programma’s in de vorm van de beleidsstukken Ruimte voor de Rivier en Maaswerken. In Ruimte voor de Rivier valt te lezen dat het hierbij niet alleen gaat om dijkverhoging en versterking (de ‘traditionele’ oplossing), maar ook om het meer ruimte geven aan de rivier (de ‘nieuwe’ aanpak). Op zich is dit weinig in het oog springend. Vooral de piekwaarden van 18.000 en 4.600 m3 vallen op. Die liggen zeer hoog ten opzichte van tot op heden gemeten waarden. De maximale piekafvoer van de Rijn was in 1995 en lag op 12.000 m3.

‘Meestijgen’ IJsselmeer en IJssel

De stijging van de zeespiegel levert niet alleen een bijdrage aan toename van de overstromingsdreiging, maar ook aan het oprukken van zout water het land in. Dit is een probleem dat met name bij droge zomers (en lage zomerafvoeren van de rivieren) problemen voor de drinkwatervoorziening en voor de landbouw oplevert.

Het IJsselmeer moet een hoofdrol in de drinkwatervoorziening behouden en tevens een rol kunnen blijven spelen in het, in geval van nood, terugdringen van oprukkend zout water, zoals we dat ook enkele jaren geleden hebben gezien toen de stromingsrichting van het water in het westen van het land, tussen het IJsselmeer en grof gezegd Gouda, naar mensenhand werd gezet. Vanuit het IJsselmeer werden grote hoeveelheden zoet water via onder meer de binnenstad van Amsterdam en het Groene Hart geleid.

Om de belangrijke functies van het IJsselmeer ook bij een verder stijgende zeespiegel in stand te houden, zal daarom ook het IJsselmeer (en de IJssel) moeten ‘meestijgen’. En wel tot maximaal zo’n 1,5 meter boven het huidige peil.

Wateropzet

Opvallend is wat het rapport zegt over wateropzet. Dit is de verhoging van het waterpeil aan de kust ten opzichte van normaal, vooral gebruikt in de context van extreme weersomstandigheden (storm).

Hoewel zonder twijfel het zeewaterpeil duidelijk zal stijgen (dus los van extreme weersomstandigheden, of uitzonderlijke getijdensituaties) wordt een behoorlijk slag om de arm genomen voor wat betreft uitspraken over toekomstige hoogtes van stormvloeden.

Er wordt gesteld dat de waarneemreeks uit het verleden te kort is om de benodigde 10.000-jaar terugkeerwaarden voor de wateropzet nauwkeurig te schatten (pag. 116). Dat geldt, staat te lezen, ook voor tijdreeksen uit klimaatmodellen die gebaseerd zijn op 1 modelintegratie van de 20e en 21e eeuw.

Op dit moment bevatten alleen modelberekingen gemaakt in het kader van het ESSENCE project genoeg data om de hoogte van de wateropzet met een statische nauwkeurigheid van ca. 0,5 meter te bepalen. De resultaten van dit onderzoek, zo wordt geschreven, geven aan dat de hoogte van de extreme wateropzetten in de toekomst niet hoger is dan nu. Omdat de andere modellen van het IPCC ook geen toename van noordelijke winden (de gevaarlijkste richting voor wat betreft wateropzet) laten zien, is dit resultaat, volgens de schrijvers, waarschijnlijk onafhankelijk van het in ESSENCE gebruikte klimaatmodel.

Uit deze redenering zou je kunnen concluderen dat de Deltacommissie het voorlopig het meest waarschijnlijk acht dat in de toekomst, ondanks dat de zeespiegel stijgt, de hoogte van de extreme wateropzetten niet stijgt. Dat is immers de enige statistisch houdbare conclusie.

Kijken we echter naar de praktijk, zoals bijvoorbeeld de novemberstorm van 2007, dan zien we dat een dergelijke reguliere niet bijzondere ‘huis-tuin-en-keuken-storm’ uit de noordwesthoek al tot  historisch hoge waterstanden kan leiden aan de kust. Af en toe net aan windkracht 9 aan de kust (officieel net aan stormkracht dus) uit het noordwesten leverde dus al een extreme situatie op. En dat terwijl bij de Watersnoodramp in 1953 windkracht 11 werd gemeten, een veel uitzonderlijker windveld.

Daarbij genomen de vrij scherp afgebakende verwachting in het rapport dat de relatieve zeespiegelstijging tussen 65cm en 130cm bedraagt, zou je je kunnen afvragen of het rapport wel de voorlopige ‘best guess’ bevat (namelijk dat de hoogte van de extreme wateropzetten in de toekomst niet hoger is dan nu). Of, dat het met de beperkte kennis die we op dit moment hierover hebben, juist waarschijnlijker is dat we in de toekomst juist wél hogere extreme wateropzetten kennen. Heeft het er niet alle schijn van dat de praktijk nu al weerbarstiger blijkt dan de theorie over de toekomst?

Eén ding is zeker: afwachten, daar is geen tijd meer voor

In ieder geval, één ding is zeker, de komende jaren zal de onzekerheid over dit soort ontwikkelingen steeds kleiner worden. Elk jaar, elke maand weten we meer wat ons te wachten staat. Maar afwachten tot we alles precies weten, daar is geen tijd voor. Dat heeft ook de Deltacommissie in niet mis te verstande woorden benadrukt in haar rapport.

Bronnen:

Samen werken met water: Een land dat leeft, bouwt aan zijn toekomst, Bevindingen van de Deltacommissie 2008

Ruimte voor de Rivier

Meteo Consult