Soms is één plaatje al genoeg....

Soms is één grafiek voor een meteoroloog al genoeg om de weersontwikkelingen voor de komende dagen te kennen. Zoals bij de afbeelding hiernaast.

Soms is één grafiek voor een meteoroloog al genoeg om de weersontwikkelingen voor de komende dagen te kennen. De afbeelding hiernaast is daar een voorbeeld van. Wat zien we? En op welke manier kunnen we daaruit destilleren wat voor weer het wordt?

OK. Om eerlijk te zijn. Ook de meest doorgewinterde meteorologen hebben niet genoeg aan alleen deze afbeelding om een verwachting te maken. Maar, het geeft al wel heel veel aan. Hoe, kunnen we alleen maar vertellen, nadat we hebben uitgelegd wat we hiernaast zien.

Wat we zien….

De afbeelding linksboven naast dit verhaal is de zogenaamde ‘pluim’, aangevuld met een paar andere waarden die we zo dadelijk uitleggen. De pluim zelf bestaat in dit plaatje uit de grijze lijnen, plus de rode en de oranje lijn.

De rode lijn is de hoofdberekening van het belangrijkste weermodel, het ECMWF. Omdat kleine afwijkingen in de waargenomen beginsituatie tot grote verschillen in de uiteindelijke uitkomst kunnen leiden, worden ook extra berekeningen uitgevoerd. Elk met een kleine afwijking.

Op basis hiervan kan iets gezegd worden over hoe zeker de door de hoofdberekening verwachte ontwikkelingen zijn, en tevens over welke andere mogelijke kanten het weer nog op kan gaan. Deze extra berekeningen worden met een minder grote rekendichtheid uitgevoerd. Ze zijn in de afbeelding te zien als de grijze lijnen. De oranje lijn is ook zo’n extra berekening, maar dan uitgevoerd zonder beginafwijking. Dit is de zogenaamde ‘controlerun’.

Natuurlijk zijn er nog andere weermodellen dan het ECMWF die van grote waarde zijn. Het Amerikaanse weermodel (de blauwe lijn) is er daar één van. Verder zijn er onder meer nog het HIRLAM-model en het UKMO. Deze zijn niet weergegeven in de grafiek.

Tot slot zien we nog een witte en paarse lijn. Dat zijn het gemiddelde en de mediaan van de (grijze) extra berekeningen van het ECMWF.

Wat we eruit kunnen afleiden

Nu we weten wat we zien, namelijk allemaal verschillende berekeningen, kunnen we verder met de volgende vraag: wat kunnen hieruit afleiden?

In de bewuste afbeelding kijken we zoals gezegd naar de temperaturen op het 850 hPa drukvlak, op ongeveer 1500 meter hoogte. Op deze hoogte kunnen we goed zien wanneer warmere lucht, dan wel koudere lucht binnenstroomt. De dagelijkse grillen van de temperatuur aan het aardoppervlak leidt op die hoogte niet, of slechts in beperkte mate, tot een verstoring van dit beeld. Overigens komen situaties voor, waarin andere verstorende factoren optreden. We gaan daar nu even niet verder op in.

Zoals gezegd kunnen we (in een laaggelegen gebied als Nederland) aan de temperaturen op 1500 meter hoogte goed zien of er warmere lucht binnenstroomt, dan wel koelere. Warme lucht stroomt binnen achter een warmtefront, koelere lucht achter een koufront.

En wat zien we de komende dagen gebeuren? Juist, de temperaturen dalen en stijgen een paar keer scherp. Warmte- en koufronten (en occlusiefronten – een koufront samengesmolten met een warmtefront) wisselen elkaar in relatief hoog tempo af.

Deze snelle afwisseling van luchtsoorten vindt alleen maar plaats wanneer er in de bovenlucht veel wind staat. De windsnelheid in de bovenlucht bepaalt namelijk hoe snel fronten trekken. Dat de fronten snel trekken, geeft daarmee aan dat de straalstroom zich de komende dagen dichtbij of boven ons hoofd bevindt. In de straalstroom waait het namelijk het flinkst en bevinden zich de meest actieve regen- en buiengebieden.

En dan zijn we er..... Blijkbaar trekken er regelmatig regen- en buiengebieden over de komende dagen. Het relatief hoge tempo van de temperatuurswisselingen op het 850 hPa drukvlak zegt al genoeg om tot deze conclusie te komen. Daarbij is natuurlijk altijd wel de vraag hoe actief ze zijn.

In het algemeen is het zo dat hoe groter de temperatuurverschillen tussen voor en ná het passeren van een front zijn, hoe actiever het front is. Het hangt echter van meer dingen af, zoals eventuele golvingen in een front en hoeveel vocht in de lucht aanwezig is. Bovendien trekken tussen de frontale storingen door, vaak ook nog wel buienzones die niet of nauwelijks terug te vinden zijn in schommelingen van de temperatuur op het 850 hPa drukvlak.

Om een serieuze verwachting te maken, moeten meteorologen daarom altijd naar veel meer elementen kijken dan alleen een grafiek als deze. Maar leuk blijft het wel, dat aan de hand van één zo’n afbeelding al zoveel af te lezen valt.

Overigens, wat verder blijkt uit deze grafiek is dat de ontwikkelingen tot en met komende maandag in grote lijnen vrij zeker zijn. Tot en met het weekeinde lopen alle berekeningen synchroon qua temperatuur. Zelfs de timing komt steeds overeen met de pieken en dalen die zich op het zelfde moment voordoen. De passage van de belangrijkste fronten vindt dus in alle berekeningen op vrijwel hetzelfde tijdstip plaats. Maandag zijn er vervolgens slechts een paar berekeningen die uit de pas lopen, maar vooral vanaf dinsdag worden de verschillen groot. De onzekerheid over de weersontwikkelingen en de timing ervan neemt toe. Het lijkt warmer te worden, maar dat was woensdag bij het schrijven van dit verhaal nog vrij onzeker.

Trouwens, een deel van de stijgende trend in de grafiek na maandag wordt waarschijnlijk mede veroorzaakt door een verstorend effect, namelijk een hogedrukgebied dichtbij of boven ons land. Dit kan op zichzelf al voor een temperatuursstijging zorgen op die hoogte, zonder dat werkelijk warmere lucht binnenstroomt.

Bron: Meteo Consult