Waarom zo?

Woensdag waren opnieuw flink wat buien actief. De ontwikkeling ervan door de dag heen, met de achtergronden.

En opnieuw vielen er buien. De precieze ontwikkeling van de buien gedurende de dag had te maken met een interessant samenspel van factoren. De belangrijkste elementen waren twee uitlopers van lagedrukgebieden (troggen): één in de bovenlucht en één aan de grond.

In de ochtend lag de trog aan de grond, de zogenaamde ‘grondtrog’, boven het westen van het land. Ten westen ervan waaide aan zee een stevige noordenwind, verder landinwaarts waaide het (zwak) uit het zuidwesten. Door het verschil in windrichting (het verschil in stroomrichting van de lucht) was op de overgang tussen die twee windrichtingen sprake van een ophoping van lucht (‘convergentie). De opgehoopte lucht kon maar één kant op: omhoog.

Stijgende lucht koelt af. Als de lucht maar genoeg kan opstijgen en dus kan afkoelen gaan er wolken en uiteindelijk regen(buien) ontstaan. Hoe ver de lucht kan opstijgen hangt af van het verschil van temperatuur tussen de lucht aan het aardoppervlak en de temperatuur van de hogere luchtlagen.

De hoogte van de temperatuur van de lucht aan het aardoppervlak waarbij buien kunnen gaan ontstaan, is dus onder meer afhankelijk van de temperatuur hoog in de lucht. Is de lucht bovenin heel koud, dan hoeft de temperatuur aan de grond niet zo hoog op te lopen. De lucht is dan al snel ‘onstabiel’ (met relatief warme lucht onderin die opstijgt omdat ze lichter is dan de zwaardere koude lucht bovenin).

En hier komt de het belang van de aanwezigheid van de bovenluchttrog in het spel. Deze wordt namelijk gekenmerkt door de aanwezigheid van koude lucht in de bovenlucht.

De bovenluchttrog van deze woensdag lag ten westen van ons boven de Noordzee, maar had invloed tot boven ons land. De koudste lucht was in het westen van het land te vinden. Hierdoor konden de buien, die boven de relatief warme Noordzee gemakkelijk waren ontstaan, zich ook boven het nog koelere vasteland goed handhaven.

In het oosten en midden van het land was de bovenlucht niet koud genoeg om aan het begin van de dag al buien te veroorzaken. Het verschil tussen de temperatuur aan het aardoppervlak en de temperatuur in de bovenlucht was (nog) niet groot genoeg. Terwijl de grondtrog gedurende de ochtend inderdaad steeds verder landinwaarts trok, bleef er van de buienactiviteit daardoor steeds minder over.

Toen de trog tegen 12 uur in het oosten aankwam, veranderde de situatie echter. De temperatuur aan het aardoppervlak was daar opgelopen tot ruim 12 graden, precies hoog genoeg om voor voldoende onstabiliteit en het ontstaan van buien te zorgen. De buien concentreerden zich daarbij rondom de trog aan de grond, het voorkeursgebied.

De trog in de bovenlucht lag tegen die tijd nog steeds boven de Noordzee met de koudste lucht dus boven zee, en in mindere mate, boven het westen van het land. Toen de temperatuur in het westen van het land later in de ochtend en vooral in de middag ook steeds verder begon op te lopen, nam de buienactiviteit ook daar weer toe. Daartussenin zakte de ‘oude’ buienlijn die eerder in de ochtend in het westen voor veel buien had gezorgd, steeds verder in.

Afbeelding homepage: uitsnede foto Martha Kivits.

Bron: Meteo Consult